Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Kunst & Cultuur

Barok in de jungle

Jezuïeten en Guaraníes musiceren samen in Paraguay

Datum : 27/04/2017
Auteur : Els Hortensius
Land : Paraguay

Barok in de jungle

Domenico Zipoli, een Italiaanse componist, musicus en priester, had al een aardige carrière opgebouwd toen hij in 1717 naar Zuid-Amerika emigreerde. Wat bracht deze jongeman naar de dichte wouden en uitgestrekte steppen van wat nu Argentinië en Paraguay is? Barokmuziek is immers niet het eerste wat bij je opkomt wanneer je aan Paraguay denkt. Maar drie eeuwen geleden werd in Zuid-Amerika druk gemusiceerd en gecomponeerd, volgens westerse tradities. Wie waren die muzikanten en componisten?

De missieposten van de Jezuïeten vormden het muzikale centrum in hun kerkprovincie Paraguay en telde naast veel getalenteerde muzikanten en zangers ook componisten. Een van hen was de Italiaan Domenico Zipoli, in 1688 geboren in de kleine stad Prato bij Florence. Al jong verwierf hij bekendheid als componist. Nadat hij tot organist in de kerk van de Jezuïeten in Rome was benoemd, groeide zijn belangstelling voor een leven als priester. Begin 1717 reisde Zipoli naar Zuid-Amerika, waar hij in april - nu exact driehonderd jaar geleden - aankwam in het huidige Paraguay. Daar werkte hij enkele maanden in de toen al befaamde missieposten van de Jezuïeten voordat hij doorreisde naar Córdoba in het huidige Argentinië.

Bij zijn dood in 1726 liet hij een schat aan composities na. Een belangrijk deel daarvan is bewaard gebleven en in de twintigste eeuw teruggevonden. Bijna drie eeuwen na zijn dood wordt Zipoli’s muziek nog altijd uitgevoerd, onder andere door de Paraguayaanse dirigent Luis Szarán (foto). Die heeft veel onderzoek gedaan naar inheemse muziek en de barokmuziek van de missieposten. Op zijn website vertelt Szarán dat er indertijd bij Europese musicologen verwarring bestond, omdat de productieve Zipoli van de ene op de andere dag van de aardbodem verdwenen leek. Totdat hij eeuwen later weer opdook in Argentinië en Paraguay. Sommige musicologen twijfelden aanvankelijk of het wel om dezelfde Zipoli ging. Maar toen er bij zijn in Zuid-Amerika gevonden werken ook sonates en hymnen uit zijn Europese periode waren, was het duidelijk: er was maar één Domenico Zipoli.

Zingen tot diep in de nacht

Wat deed een getalenteerd componist en musicus als Zipoli in de uitgestrekte jungle, ver van de hem bekende wereld, en zonder zijn vertrouwde instrumenten? Waarschijnlijk beviel het hem beter dan wij nu op het eerste gezicht denken. Al een eeuw eerder vertelde een andere priester in een brief naar huis over de muzikaliteit van de inheemse bevolking in Córdoba: “De bewoners van Córdoba houden van zingen en dansen. Nadat ze de hele dag gewerkt hebben, dansen en zingen ze in koren tot diep in de nacht.”

Wie waren die bewoners van de missieposten in Córdoba en andere plaatsen?  Ze werden gemakshalve allemaal Guaraníes (dat ‘strijders’ betekent) genoemd, maar dat wilde niet zeggen dat iedereen tot hetzelfde volk behoorde. Ten tijde van de komst van de Spanjaarden en Portugezen woonden de Guaraníes al eeuwenlang in een gebied dat zich uitstrekte tot buiten de grenzen van het huidige Paraguay en ook het zuiden van Brazilië en Bolivia omvatte, evenals het noordelijkste puntje van Argentinië. Ze spraken één taal: het Guaraní, dat verschillende dialecten kende en fungeerde als een soort lingua franca die de (handels)contacten  in het uitgestrekte gebied vergemakkelijkte.

Het waren migranten, geen nomaden, maar wel  mensen die met enige regelmaat een nieuwe, meer geschikte plek zochten om landbouw te bedrijven. Ze verbouwden uiteenlopende gewassen als maniok, maïs, katoen, bananen en tabak, en ook medicinale planten en kruiden. Verder leefden ze van de jacht en de visserij. Het in bezit nemen van nieuw gebied ging vaak gepaard met sterk verzet van de oorspronkelijke bewoners, die nadat de Guaraníes de strijd hadden gewonnen door hen werden ingelijfd.

Toen aan het begin van de zestiende eeuw de Spanjaarden en Portugezen in het huidige Paraguay, Argentinië en Brazilië arriveerden, maakten ze snel een einde aan het broze evenwicht dat de Guaraníes hadden bereikt. Ze zochten bondgenoten onder de verschillende volken en zetten hen elk in voor de strijd tussen beide koloniserende machten. Tegelijkertijd decimeerden epidemieën de inheemse bewoners die ondanks fel verzet niet opgewassen waren tegen de Europeanen. De Spanjaarden voerden hun encomienda in, een systeem waarbij kolonisten land ontvingen en in ruil daarvoor de inheemse bevolking moesten kerstenen. In feite een vorm van slavernij waarbij de inheemse bewoners werden gedwongen het land te bewerken en andere arbeid te verrichten ten dienste van de grootgrondbezitters.

Werk van titanen

Het bekeringswerk van de Spaanse landeigenaren hield meestal niet meer in dan het laten dopen van de bevolking. Dat maakte hen nog geen goede christenen en daarom werd besloten dit serieuzer aan te pakken door religieuze ordes te vragen op grote schaal priesters naar het nieuwe continent te zenden. Ook de oprichter en eerste generaal van de Jezuïeten, Ignatius van Loyola, ontving een verzoek van de Hoge Raad voor de Indiën (Consejo de los Indias, het belangrijkste bestuursorgaan voor de overzeese Spaanse gebieden). Loyola vond het een interessant voorstel, maar meende dat zijn niet lang daarvoor opgerichte orde hier nog niet klaar voor was.

Uiteindelijk zouden de eerste Jezuïetenmissionarissen pas na zijn dood (hij overleed in 1556) naar Latijns Amerika afreizen, waar zij in het begin van de zeventiende eeuw de nieuwe Jezuïetenprovincie Paraguay stichtten, een enorm gebied dat het huidige Chili, Argentinië, Bolivia, Paraguay en delen van Brazilië omvatte. Waarschijnlijk niet toevallig viel deze provincie voor een groot deel samen met het voormalige Guaraní-territorium.

Dit was het begin van wat op de website van de hedendaagse Paraguayaanse Jezuïeten een ‘werk van titanen’ wordt genoemd en dat op het hoogtepunt, een eeuw later, dertig missieposten of reducciones omvatte waar een handvol priesters 140.000 inheemse bewoners bestuurden. Van die dertig missieposten lagen er zeven in het huidige Paraguay. In 1761 woonde in het gebied van het huidige Paraguay ruim de helft van de inwoners en ongeveer 90 procent van de inheemse bevolking in zulke de missieposten van Jezuïeten. In de praktijk hadden deze reducciones een aanzienlijke autonomie van het Spaanse koloniale bestuur.

Het kan met recht een werk van titanen genoemd worden. De leiding van iedere missiepost lag in handen van slechts twee priesters, die hierbij geholpen werden door een inheemse elite die behalve Guaraní ook Spaans en Latijn sprak en schreef. Na aanvankelijk verzet tegen de evangelisatie door de Jezuïeten kozen de inheemse leiders ervoor met de Jezuïeten samen te werken. De priesters hielden nauwgezet toezicht op de dagelijkse bezigheden. Ze controleerden of de inheemse bevolking niet alleen de mis bijwoonde, maar ook werk op het land verrichtte zodat de missiepost in zijn bestaan kon voorzien.

De bewoners werkten ook binnen de muren, bijvoorbeeld als beeldhouwer om ornamenten voor het kerkgebouw te maken. En muziek; ze schreven en kopieerden bladmuziek en maakten allerlei muziekinstrumenten. In een van de reducciones, Nuestra Señora de la Santísima Trinidad, is een fresco (foto) bewaard gebleven waarop engelen Europese en inheemse instrumenten, waaronder sambaballen, bespelen. Een waar samensmelten van verschillende muzikale tradities, iets dat ook hoorbaar is in de Zuid-Amerikaanse barokmuziek zoals die van Domenico Zipoli.

Muziek leeft voort

Zipoli leefde in Paraguay en Argentinië tijdens het hoogtepunt van de missieposten, al hadden die ook toen al te lijden van overvallen door zogenaamde bandeirantes, Portugese slavenjagers die tijdens hun strooptochten zoveel mogelijk Guaraníes gevangen namen en meevoerden naar plantages in Brazilië. In 1767, veertig jaar na Zipoli’s dood, kwam er met de verbanning van de Jezuïeten door de Spaanse koning een abrupt einde aan de reducciones.

In Europa bestond veel belangstelling voor het experiment. Zelfs notoire anti-jezuïeten als Montesquieu en Voltaire waren vol lof over deze uiting van good governance in het oerwoud. De Italiaan Ludovico Muratori hield in zijn Il Cristianesimo felice nelle Missioni de’ Padri della Compagnia di Gesú nel Paraguay (1743) een vurig pleidooi voor de missionarissen en hun werk. Ze hadden de geciviliseerde wereld opgegeven om zich met succes te wijden aan het redden van heidenen die dankzij hun inzet nu een gelukkig leven leidden. Maar de tegenstanders bleken sterker. Door het economische succes van de missieposten groeide het ongenoegen van de Spanjaarden. Zij beschuldigden de Jezuïeten er niet alleen van de inheemse bevolking voor hen te laten werken, maar ook dat zij in feite een staat binnen de staat hadden geschapen, en een politieke beweging van de Guaraníes die een rechtstreekse bedreiging vormde voor de Spaanse kroon. De verbanning van de Jezuïeten was hierna slechts een kwestie van tijd.

Na het vertrek van de Jezuïeten bleven veel Guaraníes op en rond de missieposten wonen tot de onafhankelijkheidsstrijd de regio vanaf 1810 opsplitste in verschillende landen. De gebouwen en landerijen raakten in verval en de bewoners trokken weg. Vandaag rekenen in Paraguay nog ongeveer 250.000 mensen zichzelf tot een van de Guaraní-volken: de Mbya, de Ave Guaraní, de Aché en de Paï Tavyterã, in meerderheid woonachtig in het zuidoosten van Paraguay. Wat rest er nog van het titanenwerk van de Jezuïeten? In ieder geval de muziek: de baroksonates, vespers en missen worden nog altijd uitgevoerd. En overal in Paraguay hoor je harpen en gitaren: musiceren en dansen zijn twee dingen die de Paraguayanen ook na vier eeuwen nog altijd graag doen!

Deze bijdrage is onderdeel van de ‘Paraguay special’, voorjaar 2017

Bookmark and Share


Terug