Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Onderzoek & Wetenschap

Chileense Nederlanders goed thuis in hun taal

Interview met taalkundige Pablo Irizarri van Suchtelen

Datum : 10/02/2017
Auteur : Jan de Kievid
Land : Chili

Chileense Nederlanders goed thuis in hun taal

Tweede generatie Chilenen in Nederland beheersen – naast goed Nederlands –opmerkelijk goed hun thuistaal Spaans. Ze vereenvoudigen of vermijden wel vaker complexe taalconstructies dan hun in Chili opgegroeide ouders. Maar ze willen het graag correct spreken en zijn trots op Spaans als een van hun moedertalen. Dat blijkt uit een minutieus promotieonderzoek van Pablo Irizarri, zelf tweede generatie Chileen.

Al als kind verwonderde Pablo Irizarri van Suchtelen zich over taal. Hij werd in 1978 in Nederland geboren als zoon van een Chileense balling en een Nederlandse moeder. “Ik vroeg m’n vader: ‘Waarom heeft het Spaans geen woord voor rijden? Je zegt ‘Vamos a andar en auto’, dat is lopen in de auto.’ Toen zei mijn vader: ‘Verzin dan zelf een woord.’ Toen kwam ik met het werkwoord ruedar, afgeleid van rueda (wiel).” Die fascinatie voor taal is gebleven, net als voor muziek: “Ik had ook musicus kunnen worden.” Pablo speelt al jaren in diverse Chileense en Latijns-Amerikaanse muziekgroepen in Nederland.

Twee volledige generaties

Na een studie algemene taalwetenschap en een docentschap Nederlands aan een Universiteit in Boedapest, promoveerde hij in september 2016 in Nijmegen op wat er wel en niet veranderde in het Spaans van Chileense ballingen en hun kinderen in Nederland. Zijn proefschrift, getiteld Spanish as a heritage language in the Netherlands. A cognitive linguistic exploration gaat over de erftaal of thuistaal: de taal die je in het gezin leert en thuis spreekt. Buitenshuis, op school en werk spreken deze ballingen en hun kinderen Nederlands, dat zij als tweede taal hebben geleerd. “Het Spaans van de Chilenen is erg geschikt voor dit onderzoek. Na de staatsgreep van Pinochet in 1973 kwamen hier ongeveer tweeduizend politieke vluchtelingen en hun familieleden – de eerste Latijns-Amerikaanse – migratiegolf naar Nederland. Ze hadden en hebben veel onderlinge contacten. Vrijwel niemand had eerder een tweede taal geleerd. Het Chileense Spaans is relatief uniform, er zijn binnen Chili nauwelijks dialecten. Ten slotte is belangrijk dat de Chilenen in Nederland twee volwassen generaties hebben, om taalkundig te vergelijken.”

Pablo hield intensieve interviews met veertig Chilenen, verdeeld in drie groepen. “De eerste generatie kwam als 18-jarige of ouder vóór 1990 – het einde van de dictatuur – naar Nederland. De tweede generatie was in Nederland geboren of daar voor het zesde jaar gearriveerd. Als derde een controlegroep van volwassen Chilenen, allemaal eentalig, die altijd in Chili waren gebleven. Ik hield met iedereen een uitvoerig persoonlijk interview en liet hen ook plaatjes en videobeelden zien, waarbij ze moesten vertellen wat ze zagen. Een deel daarvan had ik speciaal geselecteerd om te bekijken of de geïnterviewden bepaalde grammaticale vormen en woorden wel, niet of onjuist gebruikten.”  

Meer woorden, minder fouten

De eerste en ook de tweede generatie bleken het Spaans nog goed te beheersen. Er is dus veel continuïteit van de thuistaal. “Bij afwijkingen van het gangbare Chileense Spaans kan het gaan om onvolledige beheersing of om invloed van het Nederlands. Onvolledige beheersing heeft te maken met minder ervaring, waardoor grammatica en woordenschat minder ingeslepen en verankerd zijn. Mijn onderzoek wees uit dat onvolledige beheersing samenhangt met de mate waarin men de taal vloeiend spreekt; deelnemers die meer woorden per minuut uitspraken, maakten minder fouten. Wanneer er wel fouten werden gemaakt, had dat meer het karakter van een incidentele verspreking dan van iets dat verkeerd was aangeleerd: als iemand bijvoorbeeld in plaats van la canción (‘het lied’) el canción zei, werd de volgende keer wél het correcte woordgeslacht gebruikt. Bij het grammaticaal geslacht maken de groep in Chili en de eerste generatie in Nederland weinig fouten en de tweede generatie doet gemiddeld nog 94 procent correct. Fouten met het lidwoord worden vooral gemaakt door algemene regels toe te passen. Sommigen zeiden bijvoorbeeld la idioma (de taal) in plaats van het correcte el idioma, omdat ze de regel overgeneraliseerden dat alles op -a vrouwelijk is.”

De tweede generatie gebuikt bepaalde grammaticale vormen minder, terwijl tussen de eerste generatie en de controlegroep in Chili nauwelijks verschil bestaat. “Van die twee groepen hanteert ruim 90 procent de subjuntivo (aanvoegende wijs) correct, van de tweede generatie maar driekwart. Ik vond ook een sterk verminderd gebruik van de pronombres clíticos. Je kunt in het Spaans zeggen ‘El niño le da un libro a la niña’ (de jongen geeft een boek aan het meisje), maar zonder het pronombre clítico ‘le’ is het ook correct en duidelijk: El niño da un libro a la niña. De eentaligen in Chili en de eerste generatie gebruiken in driekwart van de gevallen de constructie met ‘le’, de tweede generatie iets minder dan de helft. Dat was nieuw en nooit eerder opgemerkt bij onderzoek onder Spaanstaligen in de Verenigde Staten. Het weglaten van‘le’ kwam vaker voor onder degenen die als kind minder intensief Spaans spraken - bijvoorbeeld omdat ze maar één Spaanssprekende ouder hadden - en die in mijn onderzoek minder woorden per minuut uitspraken. Die correlatie van de grammaticale afwijking met zowel ervaring als vloeiendheid maakt het tot een typisch geval van ‘vereenvoudiging door onvolledige beheersing’, net als fouten met de subjuntivo of het woordgeslacht.”

“En Chile lo teníamos bien”

Dit roept bij mij als interviewer, die zoals veel lezers van La Chispa op latere leeftijd Spaans heeft geleerd en de subjuntivo en ‘le’ nauwelijks gebruikt, een vraag op. Is hier geen sprake van beïnvloeding van het Nederlands, waar deze vormen niet bestaan? Pablo denkt van niet: “Ik voel meer voor een verklaring die los staat van de contacttaal, hier Nederlands. Mijn hypothese is dat het een interne Spaanse taalkwestie is. Als je, zoals een deel van de tweede generatie, minder vlot en vloeiend de taal spreekt, ga je complexe zaken weglaten.”

Bij de meeste geconstateerde afwijkingen van het Spaans gaat het volgens Pablo om onvolledige beheersing. “De invloed van het Nederlands is beperkt, maar soms duidelijk aanwezig. Zo zei iemand van de tweede generatie ‘En Chile lo teníamos bien’, een letterlijke vertaling van ‘In Chili hadden we het goed’, maar volkomen onbegrijpelijk Spaans. Soms wordt de betekenis van een woord aangepast aan wat in het Nederlands gebruikelijk is. Dat kent één woord voor ‘vragen’, terwijl er in het Spaans twee zijn: iemand informatie vragen is preguntar, maar een gunst of dienst vragen is pedir. Soms gebruiken Nederlandse Chilenen tegenwoordig preguntar voor zowel vragen als verzoeken. In het Nederlands heeft ‘werken’ ook twee betekenissen, terwijl het Spaans trabajar (voor de werkende mens) en funcionar (voor de machine of methode) onderscheidt. Maar een deelnemer aan het onderzoek gebruikte zowel voor mensen als machines trabajar. Een ander vertelde dat in zijn familie het woord magnetrón (Spaans uitgesproken) werd gebezigd. Omdat dat apparaat pas tijdens hun verblijf in Nederland op de markt kwam, wisten ze niet dat het in Chili microondas heet, en magnetron klinkt best Spaans. Een andere deelnemer uit de tweede generatie sprak over planología. Het klinkt heel Spaans, maar het is onbegrijpelijk voor iemand in Chili: planologie is in het Spaans urbanismo.”

Blonde jongen uit Holland

Je bent zelf van de doelgroep. Had dat voor- en nadelen voor je onderzoek?  “Qua taalkundige opvoeding ben ik vergelijkbaar, hoewel ik als taalkundige veel bewuster bezig ben met taal, ik heb ook een tijd Spaans gestudeerd. Bij mijn tweetalige opvoeding had ik – zo zeg ik dat altijd - het ‘geluk’ dat mijn ouders scheidden toen ik drie was. Daardoor liepen Spaans en Nederlands niet door elkaar. Met gescheiden ouders met grotendeels gescheiden sociale netwerken, ging ik op bepaalde dagen naar m’n vader en dan was het duidelijk: alleen Spaans, bij mijn moeder: alleen Nederlands. Voordeel van mijn achtergrond is dat ik veel Chilenen, hun netwerken en omgangsvormen goed ken. Ik kon de interviews in het Spaans doen. Contact leggen, mensen op hun gemak stellen en stimuleren hun verhalen te vertellen gingen goed. Dat was belangrijk, want ze moesten zo ontspannen en natuurlijk mogelijk praten. Bij de interviews in Chili had ik als ‘Nederlandse’ Chileen ook voordelen. In Chili zijn omgangsvormen en onderwijs formeler, en is men op taalgebied heel normatief. Als daar een ‘Chileense’ Chileen onderzoek had gedaan, waren sommigen zenuwachtig geworden of hadden zelfs afgezegd: ‘Ik wil niet gecontroleerd, beoordeeld worden op mijn Spaans.’ Maar omdat er een blonde tweetalige, niet helemaal perfect Spaans sprekende jongen uit Holland kwam, konden ze onspannender praten.”

Trots

Tweede generatie Chilenen hebben Spaans alleen maar thuis van hun ouders – soms maar van één ouder – en in de ballingengemeenschap geleerd, maar zijn er nooit jarenlang op school in getraind. Toch beheersen zij Spaans op een behoorlijk niveau. Hoe valt dat te verklaren? “Ik durf te speculeren dat Chilenen een veel hoger niveau thuistaal hebben bereikt in de tweede generatie dan veel andere migrantengroepen. Hoe dat komt, kun je bijvoorbeeld zien door vergelijking met tweede generatie Marokkanen die de thuistaal slecht beheersen. Marokkanen vormen een grote, maar gefragmentariseerde minderheidsgroep, met verschillende thuistalen: Marokkaans Arabisch en drie Berbertalen, waarvan de sprekers elkaar niet verstaan. Die talen hebben geen prestige. Dat hebben alleen het Klassiek Arabisch van de Koran en het Standaard Arabisch van de media, maar die leer je nooit thuis; het blijven meestal volstrekt vreemde talen. Er wordt neergekeken op wat ze zelf spreken, ze hebben weinig behoefte om dat aan hun kinderen te leren, die hebben er ook weinig aan. Bij de Chilenen is dat allemaal omgekeerd. Het is een kleine hechte groep, ze kennen maar één soort Spaans en zijn trots op hun taal. Bijna alle Chilenen zijn eentalig en willen het Spaans – een wereldtaal – aan hun kinderen meegeven.”

Identiteit

Dat meegeven bleek niet altijd even makkelijk. “Tweede generatie Chilenen leerden vaak thuis veel Spaans, maar toen ze wat ouder werden, wilden ze vooral met hun leeftijdgenootjes kunnen praten, dus in het Nederlands. Sommigen vertelden: ‘Ik was opstandig en weigerde op een gegeven moment om Spaans te spreken.’ Iemand zei: ‘Als ik vriendjes op bezoek had en mijn ouders spraken Spaans, schaamde ik me daarvoor. Ik wilde niet anders zijn.’ In de puberteit kregen ze daar vaak spijt van, ze gingen op zoek naar hun identiteit en daar hoorde Spaans bij. Opvallend is dat de tweede generatie meer chilenismos gebruikt, typische Chileense taalvormen die vaak niet als netjes en correct worden beschouwd. Waarschijnlijk om te laten zien dat ze echt Chileens zijn, terwijl de twee andere groepen, die formeel onderwijs in Chili hebben gevolgd, zich minder in deze vormen uiten.”

Thuistaalsprekers hebben een heritage, een erfgoed. “Voor het Nederlands hoeft de tweede generatie niet echt moeite doen, dat hebben ze goed op school en buitenshuis geleerd en ze spreken het vloeiend zonder accent. Hun erfgoed, het Spaans, vraagt meer inspanning, ze willen hun tweede moedertaal goed en accentloos spreken om er als Chileen bij te horen. Ikzelf vind het vervelend om in Chili gewezen te worden op taalfouten of behandeld te worden als gringo. Ik ben niet zozeer trots op mijn Chileen zijn, maar meer op mijn aanpassingvermogen. Ik heb iets meegekregen dat ik als een bijzondere waarde zie, dat ik me niet vastklamp aan een bepaalde identiteit. Ik ben een beetje Chileens, een beetje Nederlands, ook een beetje Hongaars, ik ben musicus, taalkundige en nog veel meer.”

Gefossiliseerd Spaans

Hoe is het met het Spaans van de derde generatie? “Dat heb ik niet onderzocht, deze kinderen leren meestal geen Spaans meer van hun ouders. Na de robuuste overdracht van Spaans naar de tweede generatie verdwijnt dat in de volgende generatie weer, misschien juist omdat Chilenen zo goed geïntegreerd zijn. Ze hebben veel contact met Nederlanders en trouwen vaak met Nederlanders.”  
Een halve eeuw geleden naar Australië en Canada geëmigreerde Nederlanders spreken vaak een ouderwets en formeel Nederlands. Geldt zoiets ook voor de ‘Nederlandse’ Chilenen? “Ja, ten dele wel. In sommige interviews kwam naar voren dat Chilenen hier een soort gefossiliseerd Spaans uit de jaren zeventig spreken.” Sommige Hollanders verleerden na een tijdje veel Nederlands, terwijl ze in Nederland op school hadden gezeten en er enkele decennia hadden gewoond. Zoiets lijkt me onvoorstelbaar voor de eerste generatie Chilenen. “Nee, ze hebben onderling veel contact gehouden, in het Spaans. Nederlanders staan bekend als migranten die in extreme mate hun eigen taal opgeven en ook met hun kinderen geen Nederlands meer spreken. Maar die Nederlanders waren geen ballingen, hadden niet het idee om terug te gaan. De Chilenen juist wel, en toen de meesten rond 1990 besloten over wel of niet teruggaan, hadden ze hier al zo’n vijftien jaar hun Spaans goed onderhouden met het idee dat Spaans altijd hun taal zou blijven. Chilenen zijn trots op hun afkomst en taal en kunnen goed meekomen in de Nederlandse maatschappij, met een tweede generatie die totaal geïntegreerd is en goed Nederlands spreekt.”

Pablo Irizarri van Suchtelen, Spanish as a heritage language in the Netherlands. A cognitive linguistic exploration. Utrecht: LOT (Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap) 2016, 337 pag. ISBN 978-94-6093-213-7. € 37,00.

U kunt de volledige tekst downloaden via de website lotpublications.nl.

Bookmark and Share


Terug