Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Milieu & Natuur

Cuba, het groene Utopia bij toeval

Transformatie van industriële naar duurzame landbouw

Datum : 12/11/2019
Auteur : Maarten Dekker
Land : Cuba

Cuba, het groene Utopia bij toeval

Het klimaat is ‘hot’. De bezorgdheid over de gevolgen van de opwarming van de aarde neemt toe. De grote vraag is of het lukt een evenwicht te vinden tussen menselijke ontwikkeling en bescherming van het milieu. Tot nu tot lijkt alleen Cuba erin te slagen, volgens de Human Development Index van de VN. Op het zogenaamde ‘Cubaanse model’, dat uit nood is geboren, is ook kritiek. “Mensen van buitenaf zien ons als een paradijs van duurzame landbouw, maar dat zijn we niet”, aldus een Cubaanse boer.

Met toenemende bezorgdheid wordt gekeken naar de gevaren van de klimaatcrisis. Alhoewel overheden in de hele wereld hebben beloofd het probleem aan te pakken, kan gesteld worden dat de praktische invulling ervan moeizaam verloopt. Het verminderen van uitstoot is moeilijk verenigbaar met de heersende dogma’s over economische groei en toenemende consumptie. Bovendien zijn verschillende wetenschappers sceptisch over de inzet van de meer welvarende landen. Ze slagen er misschien wel in het milieu in eigen land te beschermen, maar blijven milieuvervuilende producten importeren uit minder ontwikkelde gebieden, het rich country illusion effect genoemd. Het lijkt dat geen land een balans heeft gevonden tussen ontwikkeling en een ecologische voetafdruk die op onze planeet mogelijk is.

Hoge ontwikkeling, lage voetafdruk

Het Wereldnatuurfonds (WWF) bekijkt al jaren in hoeverre landen erin slagen een hoge menselijke ontwikkeling – met indicatoren als levensverwachting, aantal jaren onderwijs en gemiddelde koopkracht – te realiseren waarin de ecologische voetafdruk niet hoger is dan de planeet aankan. Zoals te verwachten, scoren West-Europese landen en de Verenigde Staten hoog op deze Human Development Index van de Verenigde Naties. Hun ecologische voetafdruk is echter dusdanig groot dat er meerdere planeten nodig zouden zijn als alle wereldbewoners deze levenstandaard zouden hebben. Landen met een lage ecologische afdruk scoren weer laag op menselijke ontwikkeling, dus dat biedt een weinig aantrekkelijk perspectief voor welvarende landen.

Er was er in 2003 maar een enkel land dat aan beide vereisten voldeed, en dat was Cuba. Door het WWF werd Cuba geroemd als het enige land met een duurzame vorm van ontwikkeling en is het model ook door de VN als voorbeeld gegeven. Alhoewel het gemiddelde inkomen in Cuba niet hoog is, scoort het land enorm goed op onderwijs, gezondheidszorg en de gemiddelde levensverwachting. Op het moment voldoen acht landen aan de voorwaarden van duurzame ontwikkeling, maar is Cuba nog altijd het hoogstgeplaatste. Hoe is dit zo gekomen?

Isolement

Dat Cuba een van de meest duurzame landen ter wereld is geworden, dankt het - opmerkelijk genoeg - voor een groot deel aan de val van de Sovjet-Unie en het embargo van de Verenigde Staten. Tot 1989 was Cuba enorm afhankelijk; 93 procent van de Cubaanse consumptie werd geïmporteerd, voornamelijk uit de Sovjet-Unie. Cuba, dat al werd buitengesloten van internationale handel door de VS-sancties, raakte in isolement en belandde in een ernstige economische crisis. Het had grote moeite om suiker en citrusvruchten te exporteren, waardoor ook de import met 70 procent afnam. Er ontstond een groot tekort aan graan, maïs en vlees, die noodzakelijk waren voor het Cubaanse dieet. Verder was er geen olie voor tractoren, geen mest om de bodem vruchtbaar te maken en geen pesticiden om de gewassen te beschermen. De landbouwproductie kwam vrijwel tot stilstand en de bevolking leed honger.

Guerrillatuinen van Havana

In Havana waren de problemen bijzonder groot; het lag op afstand van het platteland en benzine voor transport ontbrak. Bovendien moesten er ruim twee miljoen monden worden gevoed. Daardoor moesten inwoners van de hoofdstad creatief op zoek naar een manier om aan eten te komen. Gelukkig staan Cubanen bekend om hun inventieve geest en in korte tijd werden balkons en dakterrassen omgetoverd tot zogenaamde guerrillatuinen waar groente, kruiden en zelfs veeteeltproducten de inwoners van voedsel moesten voorzien.

De overheid zag de mogelijkheden hiervan en in 1994 werd het ontwikkelen van organopónicos een topprioriteit om de voedseltekorten aan te pakken. Organopónicos vormen een arbeidsintensieve vorm van stadslandbouw waarbij bijvoorbeeld cementmuren worden gevuld met biologisch materiaal en druppelirrigatie. Dit maakt landbouw mogelijk in gebieden met slechte landbouwgrond, zoals in steden. Bewoners konden zich vrijwillig aanmelden voor trainingen en kregen braakliggend land ter beschikking. Ook ontwikkelde de overheid onderzoekstuinen, werden gesubsidieerde landbouwwinkels opgezet, evenals locaties voor de productie van compost en laboratoria voor natuurlijke bestrijdingsmiddelen. De focus op biologische productie werd vastgelegd in 1996 in een wet die in de steden alleen biologische landbouw toestaat.

Zelfvoorzienend

Dit leidde tot een bloei van lokaal, betaalbaar en toegankelijk voedsel. Stadslandbouw is een van de belangrijkste instrumenten om voor voldoende voedsel te zorgen. Inmiddels wordt ruim de helft van alle in de stad geconsumeerde groenten in de stad zelf geproduceerd, volgens sommige schattingen zelfs bijna 90 procent. Bovendien wordt voedsel voor vee, compost en biobrandstof geproduceerd. De landbouw is geleidelijk in de infrastructuur ingebed en in de hoofdstad wordt meer dan 35.000 hectare, van kleine tuinen tot grote stadsboerderijen, gebruikt voor productie.

Havana wordt gezien als een voorbeeld van een nieuw zelfvoorzienend model dat zowel mogelijkheden als obstakels aantoont van stadslandbouw. Carey Clouse, hoogleraar landschapsarchitectuur aan de universiteit van Oregon, stelt dat de stadslandbouw van Havana verschillende infrastructurele, maatschappelijke en politieke aspecten bevat die op andere gebieden kunnen worden toegepast. Zo wordt de tijd tussen de oogst en consumptie verkleind en de transportafstand drastisch verminderd. Cijfers van 2008 tonen aan dat stedelijke landbouw meer dan 1,4 miljoen ton voedsel produceert op meer dan 9.000 hectares verspreid over het eiland. In tien jaar tijd is de groenteproductie vertienvoudigd. De Noord-Amerikaanse econoom Sinan Koont, die jarenlang de hervormingen in de Cubaanse landbouw onderzocht, stelt dat Cuba beschikt over een van beste stedelijke landbouwprogramma’s ter wereld.

Kennis van boeren

Ook buiten de steden vroeg de hongercrisis om een radicale hervorming van het landbouwmodel. Voor de val van de Sovjet-Unie was de landbouw sterk gericht op mechanisatie en op suiker voor de export. Intensief gebruik van chemicaliën moest leiden tot een zo hoog mogelijke output. Cuba was zelfs een tijd de grootste gebruiker van landbouwchemicaliën per capita in Latijns Amerika, wat leidde tot een uitgeputte grond en aantasting van de biodiversiteit. De crisis veranderde het denken over voedsel en landbouw; het systeem werd omgegooid waarbij de focus op voedselproductie kwam te liggen. In reactie op de afhankelijkheid van het buitenland ging de overheid kleine en lokale boerderijen stimuleren om zelf de bevolking te kunnen voeden.

Een drijvende kracht hierachter is het Programma voor Lokale Landbouw en Innovatie (PIAL) van het ministerie van Landbouw, met financiële steun van Europese en Canadese fondsen. PIAL begon in 2002 om met kleinschalige landbouw op lokaal niveau de Cubaanse bevolking te voorzien van verse producten. De oprichter van PIAL is Humberto Ríos Labrada. Toen hij in 1991 nog bezig was met zijn proefschrift in de landbouwwetenschappen, vroeg de regering hem de productie van pompoen te organiseren. Labrada was verbaasd over de enorme kennis van boeren met wie hij moest samenwerken: “Ik dacht dat ik de boeren moest gaan uitleggen hoe ze de diversiteit van de zaden moesten vergroten, maar toen ik met ze ging werken, leerden zij mij hoe je een betere oogst kan realiseren.”

Groene Nobelprijs

De boeren waren door de tekorten van chemische producten teruggevallen op een pre-industriële vorm van landbouw. Hierbij worden niet of nauwelijks pesticiden en mest gebruikt, maar wel natuurlijke manieren om de gewassen te beschermen tegen ziektes en insecten. Bovendien werken deze boeren met gewasrotatie en een grote variëteit aan zaden voor specifieke omgevingen.

Labrada (foto, 2e van rechts) zag deze door boeren geleide transformatie als mogelijke oplossing voor de landbouw- en voedselcrisis. Hij organiseerde kenniscentra met onderzoekers en docenten om de diversiteit van zaden en het vergroten van de biologische landbouwproductie te bevorderen. Hierbij heeft het hoge opleidingsniveau van Cubanen een belangrijke positieve rol gespeeld. Zoals de Amerikaanse milieuactivist Bill McKibben heeft opgemerkt, is de ontwikkeling van de biolandbouw in Cuba net zo goed een uitvinding van wetenschap en technologie als de tractor-intensieve landbouw die het heeft vervangen.

Verder heeft de overheid, net als in de steden, grote gebieden grond uitgeleend aan kleine landbouwcoöperaties. Inmiddels werken vijftigduizend boeren aan PIAL mee. PIAL heeft geleid tot minder afhankelijkheid van chemicaliën en meer autonomie voor boeren. Tijdens de Sovjet-periode gebruikte Cuba 35.000 ton pesticiden per jaar, vandaag is dit 1.000 ton. De landbouw veranderde van industriële massaproductie van het weinig voedzame suiker naar gerichtheid op voedzaamheid en duurzaamheid. De door intensieve suikerproductie uitgeputte bodem begon zich te herstellen. PIAL begon aandacht te krijgen van de internationale gemeenschap en won in 2010 de Goldman Environmental Prize, ook wel de groene Nobelprijs genoemd.

‘Degrowth’

Er is natuurlijk ook kritiek, bijvoorbeeld over de lage output van de Cubaanse methode. Zo wijzen critici op het tekort aan vlees en melk. In een interview met The Guardian uit een Cubaanse boer zijn frustratie: “Het maakt me woest als mensen praten over Cuba als een soort biologische utopie. Mensen van buitenaf zien ons als een paradijs van duurzame landbouw, maar dat zijn we niet. We zijn uit een zeer slecht landbouwmodel overgestapt naar niet iets beters.” Weekblad The Economist stelt dat de gecentraliseerde aanpak de landbouwsector van Cuba bijzonder inefficiënt maakt en stelt dat de grond geprivatiseerd zou moeten worden.

Verschillende landbouwkundigen roemen het Cubaanse model omdat – hoewel een sterk gecentraliseerde overheid de voedselproductie heeft opgezet – het voedsel juist wordt beheerd door een gedecentraliseerde keten. Carmen Gonzalez, hoogleraar recht in Seattle, wijst erop dat grote staatsbedrijven zijn opgebroken en onderverdeeld in kleinere coöperaties. Dit heeft een basis voor een grassroots beheer met lokale verantwoordelijkheid.

Bovendien vinden sommige onderzoekers juist de sterk geïndustrialiseerde massaproductie problematisch. Zo ziet Julien-François Gerber, werkzaam bij het Instituut for Social Change Studies In Den Haag, in de Cubaanse methode een alternatief voor de op groei gerichte landbouw. Hij stelt dat het Cubaanse agro-ecologische project het grootste voorbeeld is van “degrowth” met een sterke afname van energieverbruik en materiaal, terwijl wel in de basisbehoefte wordt voorzien. Dit is te zien in de sterke afname van energieverbruik en vervuilende uitstoot. Bovendien is Cuba minder afhankelijk van import voor consumptie. Terwijl in de jaren negentig meer dan de helft van het voedsel werd geïmporteerd, is dat nu gedaald tot 16 procent.

Terugvallen?

Ook wordt erop gewezen dat Cuba tot deze transformatie is gedwongen. Zal Cuba niet terugkeren naar industriële productie zodra olie makkelijker verkrijgbaar wordt? Vooral tijdens de Amerikaans-Cubaanse toenadering onder president Obama werd gevreesd dat Cuba weer zou terugvallen in oude gewoontes. In een gesprek met bezoekende Noord-Amerikaanse wetenschappers reageerde Fernando Funes Aguilar, de Cubaanse expert op het gebied van duurzaamheid, op deze zorgen: “Het is logisch om je dit af te vragen. Ik kan je eerlijk zeggen dat we het onszelf ook hebben afgevraagd. Maar we hebben nu deze kennis en zien de resultaten. Waarom zou je teruggaan naar iets dat slechter werkt dan wat we nu hebben?”

Met oog op de klimaatcrisis zien verschillende wetenschappers de waarde in een terugkeer naar lokale ontwikkeling en meer bestendige voedselsystemen. Het Cubaanse model is betaalbaar, toegankelijk, omvangrijk en organisch waardoor het ecosysteem intact blijft. Cuba heeft een voedselcrisis doorstaan en is er sterker uitgekomen. Dat geeft ons inzicht in mogelijke alternatieven voor het onhoudbare groeiparadigma dat de wereld domineert.

Deze bijdrage is onderdeel van de Milieuspecial 2019

Bookmark and Share


Terug