Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

'De wet is als een slang, die bijt ook alleen mensen zonder schoenen'

Geschiedenis van El Salvador in vogelvlucht

Datum : 28/04/2020
Auteur : Jan de Kievid
Land : El Salvador

'De wet is als een slang, die bijt ook alleen mensen zonder schoenen'

Veel Nederlanders wisten weinig van de duizenden anonieme slachtoffers van geweld in El Salvador, maar werden wel opgeschrikt door spectaculaire moorden, zoals op aartsbisschop Romero in 1980 en vier Nederlandse journalisten in 1982.

Dat gebeurde tijdens de burgeroorlog, het tweede grote breukpunt in de moderne geschiedenis van het land. Een halve eeuw eerder, in 1932, was het eerste breukpunt, toen bezitters van koffieplantages en militairen een massamoord pleegden op opstandige (indiaanse) boeren en landarbeiders. Sinds het vredesakkoord van 1992, het tweede breukpunt, proberen veel Salvadoranen vreedzaam samen te leven. Helaas moeten ze dat doen in een nog steeds gewelddadig klimaat.

‘De wet is als een slang, die bijt ook alleen mensen zonder schoenen’ hoorde aartsbisschop Óscar Romero een boer zeggen. Hij vertelde dat instemmend in zijn preken. Grootgrondbezitters en militairen met stevige laarzen kunnen de wet straffeloos overtreden, maar arme boeren en landarbeiders worden door de wetten gepakt. De geschiedenis van El Salvador is voor een groot deel een strijd tussen mensen met en zonder laarzen. Daarbij stond de strijd over de extreem ongelijke verdeling van landbezit centraal.

Conquista en onafhankelijkheid

Toen de Spaanse conquistadores onder leiding van Pedro de Alvarado in 1524 vanuit Mexico in het gebied van het huidige El Salvador doordrongen, sloeg de inheemse bevolking hen eerst terug. Een jaar later hadden de Spanjaarden meer succes en stichtten de latere hoofdstad San Salvador. Na enige tijd werden de gebieden van het huidige El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Costa Rica onderdelen van het Kapitein-Generaalschap Guatemala, dat behoorde bij het vanuit Mexico bestuurde onderkoninkrijk Nieuw Spanje. Het grootste deel van de indianen overleefde de conquista niet door oorlog, moord en dwangarbeid, maar vooral door uit Spanje ingevoerde ziektes. Het aantal indianen in Groot-Guatemala daalde in anderhalve eeuw van ongeveer 2,5 miljoen naar 200.000.

In 1811 voegde de provincie El Salvador zich bij de onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje. Dat leidde tien jaar later tot onafhankelijkheid, maar El Salvador en de andere delen van Groot-Guatemala sloten zich aan bij het nieuwe keizerrijk Mexico, dat al in 1823 uiteenviel. De kleinere Midden-Amerikaanse landen vormden toen de Federale Republiek van Midden-Amerika. Daarbinnen woedde hevige, vaak militaire strijd tussen liberalen en conservatieven. In El Salvador was er in 1832 ook een lokale inheemse opstand. De inheemse bevolking was er met de onafhankelijkheid niet op vooruitgegaan, maar eerder achteruit omdat vroegere, door Spanje uitgevaardigde wetten hen geen bescherming meer boden. Eind negentiende eeuw werd hun positie nog slechter toen zij hun gemeenschappelijke stukken grond kwijtraakten.

In 1839 viel de ruziënde Federale Republiek van Midden-Amerika uiteen en in 1841 riep El Salvador de onafhankelijkheid uit. Er bleven echter nieuwe pogingen van landen om samen te gaan, afgewisseld met oorlogen: binnen een eeuw voerde El Salvador dertien keer oorlog met andere Midden-Amerikaanse landen. Ook binnenslands was het verre van stabiel door hevige conflicten tussen liberalen (vooral grote handelaren) en conservatieve grootgrondbezitters. In dertig jaar tijd telde het land een vijftigtal presidenten.

Liberale principes

Een nieuw tijdperk brak aan toen vanaf het midden van de negentiende eeuw indigo als belangrijkste exportproduct werd vervangen door koffie, waarnaar op de wereldmarkt de vraag steeds groter werd. Dat had ingrijpende economische, sociale en politiek gevolgen. Omdat koffiestruiken pas na drie jaar oogst opleveren, konden alleen mensen met kapitaal eraan beginnen. Kleine boeren werden dus uitgeschakeld. Bovendien waren de meest geschikte stukken land voor koffieteelt in handen van indiaanse gemeenschappen. Om die stukken land in te pikken werd in naam van liberale individualistische principes en materiële vooruitgang in 1881 en 1882 gemeenschappelijk landbezit verboden. Dat land moest worden opgesplitst in stukjes individuele grond van leden van de gemeenschappen. Die raakten hun stukjes land echter vaak snel via legale en illegale wegen kwijt aan de eigenaren van koffieplantages. Dat leidde tot sterke concentratie van grondbezit, verdere verslechtering van de positie van de inheemse bevolking en grotere verschillen tussen arm en rijk.

Een beperkt aantal families – aangeduid als de ‘veertien families’, al wisselende hun aantal in de loop der tijd – verwierf in deze koffierepubliek ongekende rijkdom en politieke macht. Het oude onderscheid tussen liberalen en conservatieve vervaagde omdat ook de grootgrondbezitters belang hadden bij de handel voor de export. Deze oligarchische klasse domineerde tussen ongeveer 1880 en 1931 onbetwist de economie en politiek. Er waren eind negentiende eeuw wel een paar opstanden van verarmde boeren en landarbeiders, maar die werden neergeslagen door de privélegertjes van de landeigenaren of door de politie.

Geen bananenrepubliek

El Salvador werd geen bananenrepubliek zoals Honduras en Guatemala. Niet alleen omdat bananen er geen belangrijk product waren, maar ook omdat de koffieplantages niet in handen waren van bedrijven uit de Verenigde Staten. Rijke Salvadoranen hadden het opzetten van de plantages zelf gefinancierd en in eigen bezit gehouden. Anders dan Cuba, Haïti, de Dominicaanse Republiek en Nicaragua had El Salvador in de eerste helft van de twintigste eeuw ook niet te maken met een jarenlange bezetting of directe controle door de VS. Die gingen zich wel vanaf de jaren zestig en nog meer tijdens de burgeroorlog in de jaren tachtig intensief met El Salvador bemoeien.

De oligarchische koffierepubliek was op z’n sterkst in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Driekwart van de beroepsbevolking werkte toen in de agrarische sector. Bijna de helft van het Bruto Nationaal Product bestond uit exportopbrengsten (na Costa Rica het hoogste van Latijns Amerika) en daarvan was 95 procent koffie. De koffie oligarchie verdeelde via frauduleuze en gemanipuleerde verkiezingen de politieke baantjes. Er waren wel voorzichtig vakbonden opgericht en zelfs een kleine communistische partij. In 1931 schreef een militaire attaché uit de Verenigde Staten: “Er lijkt hier niets te zijn tussen dure auto’s en een ossenkar met een boer op blote voeten. Er is vrijwel geen middenklasse tussen de hele rijken en de hele armen… Ongeveer 90 procent van de rijkdom is in bezit van een half procent van de bevolking… Een socialistische of communistische revolutie kan nog verscheidene jaren worden uitgesteld, tien of twintig jaar, maar als die komt, zal die erg bloedig zijn”.

Wraak

De economische wereldcrisis had toen net El Salvador bereikt. Daarbij bleek hoe rampzalig de afhankelijkheid van een monocultuur uitpakte. De koffieprijs op de wereldmarkt was ruim gehalveerd. Het loon van de landarbeiders kelderde evenredig als ze niet werden ontslagen. In deze omstandigheden werd in de eerste enigszins vrije en eerlijke verkiezingen in 1931 een sociaaldemocratisch georiënteerde grootgrondbezitter, Arturo Araujo, tot president gekozen. Naast sociale maatregelen kondigde hij aan dat de communistische partij aan lokale verkiezingen mocht meedoen. Dat ging de oligarchie en de militairen veel te ver. Vicepresident generaal Maximiliano Hernández Martínez nam de macht over.

Intussen bereidde de kleine communistische partij onder leiding van Agustín Farabundo Martí, die in Nicaragua samen met Augusto Sandino tegen dictator Somoza had gevochten, een opstand voor. De plannen lekten uit en Martí andere leiders werden gefusilleerd. Toch kwamen veel boeren en landarbeiders in opstand, waarbij ze een paar stadjes bezetten en ongeveer honderd mensen vermoorden, onder wie grootgrondbezitters. Oligarchie en militairen namen op vreselijke wijze wraak. Alleen gewapend met machetes waren de opstandelingen kansloos tegen de vuurwapens van het leger. Militairen vermoordden in deze matanza (massaslachting) tien tot dertigduizend mensen – vooral indianen – nadat ze vaak volstrekt willekeurig waren opgepakt. Mensen met een indiaans uiterlijk of indiaanse kleding waren op grond daarvan verdacht en werden massaal doodgeschoten.

1932 als breukpunt

Deze matanza was een breukpunt in de geschiedenis van El Salvador. Kleine boeren en landarbeiders hadden geleerd hoe gevaarlijk het was om in opstand te komen. Veel indianen trokken hun indiaanse kleren uit en vermeden alle culturele en andere uitingen waaraan zij als indiaans herkend konden worden. Grootgrondbezitters voelden zich plotseling bedreigd en bleken bereid de macht met militairen te delen als die hun eigendom en veiligheid konden garanderen. Militairen beseften dat zij de beslissende factor waren en wilden dat graag zo houden. Van 1931 tot 1979 waren alle presidenten op één na militairen, die elkaar vaak na nieuwe staatsgrepen opvolgden. In de twintigste eeuw grepen militairen in El Salvador zeven keer de macht, op het Midden-Amerikaanse gemiddelde.

Tijdens de burgeroorlog een halve eeuw later (1979-1992) noemde de belangrijkste linkse guerrillaorganisa-tie FMLN (Front voor Nationale Bevrijding Farabundo Martí) zich naar de vermoorde opstandelingenleider van 1932, terwijl een door militairen opgezet en door de oligarchie betaald doodseskader de naam kreeg van de ‘slachter’ van 1932, generaal Hernández Martínez. Als we aannemen dat in 1932 ongeveer 20.000 mensen werden vermoord, was dat 1,5 procent van de toen 1,4 miljoen Salvadoranen, in slechts een paar dagen. Dat is een even groot deel van de bevolking als de 75.000 dodelijke slachtoffers van de twaalf jaar durende burgeroorlog (foto rechts: monument El Mozote).

Arrogant en compromisloos

Grootgrondbezitters en militairen vormden het nieuwe machtsblok, ondersteund door een conservatieve katholieke kerk en vooral uit de Verenigde Staten komende buitenlandse bedrijven. Het landbezit raakte steeds schever verdeeld. Het percentage landloze boeren steeg van 12 naar 41 procent tussen 1961 en 1975. In 1979 bezat 1 procent van de landeigenaars 73 procent van het land; de andere 99 procent moest het met 23 procent stellen. Regelmatig waren er militairen die vreesden dat deze extreme ongelijkheid het land ten gronde zou richten. Er moesten landhervormingen komen waarbij een deel van het grootgrondbezit aan arme en landloze boeren overgedragen zou worden. Dat was voor de arrogante en compromisloze grootgrondbezitters volstrekt onbespreekbaar. De zeer voorzichtige landhervormingen in de jaren veertig, zestig en zeventig die de landeigenaren niet echt bedreigden, werden door hen effectief onschadelijk gemaakt: door het omkopen of bedreigen van met de uitvoering belaste ambtenaren, het op naam van familieleden zetten van stukken land en het afschepen van arme nieuwe eigenaars met de kwalitatief slechtste stukken grond.

De positie van de armen op het platteland werd nog beroerder door de snelle bevolkingsgroei. Tussen 1932 en 1980 groeide de bevolking van 1,4 naar 4,6 miljoen inwoners, ruim drie keer zoveel. In de jaren zestig werkten 300.000 Salvadoranen in Honduras, terwijl in El Salvador door vooral buitenlandse bedrijven industrie werd opgezet. Die industrie was voor een Midden-Amerikaans land redelijk succesvol, maar leverde vrij weinig werkgelegenheid op. Al deze kwesties – landbezit, overbevolking, werkloosheid, spanningen met Honduras over industriële successen en Salvadoraanse ‘gastarbeiders’ – vormden de achtergrond van een bizarre vierdaagse oorlog in 1969 tussen El Salvador en Honduras die bekend is geworden als de ‘Voetbaloorlog’.

‘Opstand moreel gerechtvaardigd’

Terwijl de plantage-eigenaars in de jaren zeventig profiteerden van de vierde plaats van El Salvador op de lijst van koffieproducerende landen, namen de politieke en sociale spanningen toe. Het machtsblok van militairen en grootgrondbezitters leek te wankelen toen een hervormingsgezinde christendemocraat, José Napoléon Duarte, eerder burgemeester van San Salvador, in 1972 de presidentsverkiezingen won. De militairen accepteerden dat niet. Ze arresteerden en folterden Duarte en stuurden hem in ballingschap en wezen een militair aan als president.

Steeds meer kleine boeren, landarbeiders en stedelijke arbeiders gingen zich organiseren. Tegenover harde repressie vonden zij steun bij een deel van de katholieke kerk, die in deze jaren onder invloed van de ‘bevrijdingstheologie’ veel kritischer over de maatschappij was gaan oordelen. Dat had grote effecten, want hiermee viel een van drie poten van het machtsblok weg, die altijd veel onrecht had gelegitimeerd. Essentieel hierbij was het optreden van de aartsbisschop van San Salvador, Óscar Romero, die in begin februari 1980 in een preek zei: “Als alle vreedzame middelen zijn uitgeput, vindt de kerk in opstand komen moreel gerechtvaardigd.” Zeven weken later werd hij vermoord terwijl hij de mis opdroeg in de kapel van een ziekenhuis. Bij zijn begrafenis (foto) werden enkele tientallen mensen doodgeschoten. Een van de opdrachtgevers voor de moord was de leider van extreemrechtse doodseskaders majoor Roberto D’Aubuisson, door een voormalige VS -ambassadeur een “pathologische moordenaar” genoemd.

‘Nog een 1932’

In feite was al een jaar eerder de burgeroorlog tussen het leger en linkse guerrillaorganisaties, spoedig verenigd in het FMLN, begonnen. Daarbij werd de militairen zwaar gesteund door de Verenigde Staten. Die wilden in de Koude Oorlog tot vrijwel elke prijs voorkomen dat na de overwinning van sandinisten in Nicaragua in 1979 opnieuw een als ‘communistisch’ beschouwde organisatie in Midden-Amerika aan de macht zou komen. Daarbij hoopten de VS dat tegelijkertijd door te voeren landhervormingen het FMLN de wind uit de zeilen zou nemen.

Voor die hervormingen steunden de VS de christendemocraat Duarte, wiens verkiezingsoverwinning in 1972 door de militairen niet was geaccepteerd. Als lid van een junta of als president kon Duarte wel mooie woorden spreken en sociale plannen ontvouwen, maar uiteindelijk steunde hij het repressieve optreden van de militairen. In 1984 won Duarte (foto links) in de tweede ronde de verkiezing van D’Aubuisson (foto rechts), de man van de doodseskaders en kandidaat van de extreemrechtse partij ARENA. Deze opdrachtgever van de moord op aartsbisschop Romero hanteerde verkiezingsleuzen als ‘Nog een 1932’, verwijzend naar de massaslachting van dat jaar.

Patstelling

Dat leverde een volstrekt tegenstrijdig beleid op, waarbij volgens de Noord-Amerikaanse sociale wetenschapper David Mason de regering in 1980 tegelijkertijd werkte aan “een ambitieus landhervormingsprogramma en een van de bloedigste repressiecampagnes van het huidige Latijns Amerika”’. Daarom werd volgens zijn collega William Thiesenhusen “bar weinig vooruitgang geboekt in het oplossen van een van de centrale oorzaken van de oorlog: het probleem van de landloosheid onder de boeren.”

In twaalf jaar burgeroorlog werden ongeveer 75.000 mensen vermoord en waren er 7000 ‘verdwijningen’, van wie zo’n 80 procent burgers. Het grootste bloedbad werd aangericht door de luchtmacht in het dorp El Mozote in 1981. Daar werden alle duizend inwoners vermoord. Na enige tijd controleerde het FMLN een aanzienlijk deel van het land waar ook landhervormingen werden doorgevoerd. Militair ontstond een patstelling; militairen noch FMLN konden elkaar verslaan. Om de oorlog niet uitzichtloos te laten voortslepen, moest er onderhandeld worden. Dat werd gesteund door de VS, die daarmee afzagen van het helemaal uitschakelen van het FMLN. Daarom zetten ze de Salvadoraanse regering onder druk om een politieke oplossing te accepteren. Met bemiddeling van de Verenigde Naties en onder andere steun van Midden-Amerikaanse presidenten werd vooruitgang geboekt.

‘Van waanzin naar hoop’

Begin 1992 tekenden de regering en het FMLN een Vredesakkoord. Militairen en guerrillastrijders moesten hun wapens neerleggen. Een waarnemersmissie van de VN (ONUSAL genaamd) bewaakte tussen 1991 en 1995 uitvoering van de afspraken. Het leger werd gehalveerd en gezuiverd van een honderdtal officieren die grove mensenrechtenschendingen hadden gepleegd. Het FMLN werd van een guerrillaorganisatie een gewone politieke partij die vanaf 1994 aan de verkiezingen deelnam. In een nieuwe Nationale Politie konden zowel voormalige soldaten als ex-FMLN-strijders worden opgenomen.

Een volgens het akkoord door VN ingestelde internationale waarheidscommissie publiceerde begin 1993 een schokkend rapport vol gruwelijkheden: Van waanzin naar hoop. 85 procent van de schendingen was begaan door militairen en daarmee verbonden doodseskaders en 15 procent door het FMLN. De militairen waren laaiend. Binnen een week nam het overwegend rechtse parlement (het FMLN had niet aan de vorige verkiezingen meegedaan) een amnestiewet aan, waardoor oorlogsmisdaden niet vervolgd konden worden.

De burgeroorlog was na ‘1932’ het tweede grote breukpunt in de moderne geschiedenis van El Salvador. Na afloop moest het bitter verdeelde land heropgebouwd worden. Daarom besteedde het akkoord aandacht aan een belangrijke oorzaak van het conflict: de ongelijke landverdeling. Zo’n 15 procent van de boeren met heel weinig of geen grond kreeg een stuk land. Dat maakte de verdeling van het landbezit iets minder ongelijk. Het landconflict verloor ook aan scherpte door het krimpen van de agrarische beroepsbevolking, van driekwart van het totaal rond 1930 tot slechts een vijfde tegen 2020. Verbouw en export van koffie verloor z’n dominante positie. Industrie en diensten werden de dominante economische sectoren.

Vreedzame overdracht

De verkiezingen van 1994 verliepen tamelijk correct, en voor het eerst in de geschiedenis kon het land min of meer democratisch worden genoemd. De rechtse partij ARENA behield bij die verkiezingen het presidentschap, net als in 1999 en 2004. Deze regeringen namen verschillende neoliberale maatregelen ten gunste van de particuliere sector. Door deze vrije verkiezingen kon – na FMLN-burgemeesters van San Salvador van 1997 tot 2009 – voor het eerst een linkse presidentskandidaat, Mauricio Funes van het FMLN, in 2009 de verkiezingen winnen. Ook met een nipte overwinning (51,3 procent) kon hij daadwerkelijk als president aantreden in de eerste vreedzame presidentsoverdracht aan de oppositie sinds de burgeroorlog. Vijf jaar later won het FMLN opnieuw met voormalig guerrillaleider Salvador Sánchez Cerén (foto). Omdat het FMLN geen parlementsmeerderheid had, vormde het een centrumlinkse coalitie met meer conservatievere partijen. Deze centrumlinkse regeringen boekten redelijke successen met sociaal beleid: minder armoede en ongelijkheid, betere gezondheidszorg en minder analfabetisme.

Bij voorzichtige pogingen om, bijvoorbeeld via belastingen, de positie van de rijken aan te tasten, lag de rechtse parlementsmeerderheid dwars. Ook onder de centrumlinkse regering bleef de extreem strenge abortuswetgeving, waardoor vrouwen en ook artsen jarenlange gevangenisstraffen kunnen krijgen, gehandhaafd. Opmerkelijk is dat El Salvador, dat geen actief milieubeleid voerde, in 2017 als eerste land ter wereld alle mijnbouw voor metaalhoudende grondstoffen verbood. Daarvoor waren twaalf jaar actie- en lobbywerk van lokale- en milieuorganisaties, goede contacten met het FMLN en uiteindelijk ook steun van de katholieke kerk nodig.

De amnestiewet van 1993 blokkeerde vervolging en veroordeling van mensenrechtenschenders van de burgeroorlog. In 2016 leek er een opening te komen toen het Hooggerechtshof die wet strijdig met de grondwet verklaarde. Daardoor kwam er zicht op een proces over het vreselijke bloedbad van El Mozote in 1981. Met een nieuwe wet probeerden de rechtse partijen dat weer te voorkomen. Door interne ruzies was het FMLN kansloos bij de presidentsverkiezingen van 2019. Daarvan profiteerde echter niet ARENA, maar Nayib Bukele, een voormalig FMLN-lid.

Geweld

Op een kolossaal en angstaanjagend probleem hebben linkse noch rechtse partijen greep gekregen: het criminele geweld. El Salvador heeft al enkele decennia een van de hoogste moordcijfers van de wereld. Dat is nauw verbonden met het geweld tussen jeugdbendes, maras genoemd. De omvang daarvan schommelt, maar in sommige jaren vielen evenveel doden door crimineel geweld als jaarlijks in het oorlogsgeweld van de burgeroorlog. Het geweld is een belangrijk motief om te emigreren, bij voorkeur naar de VS. De regeringen, vooral de rechtse, hebben gekozen voor een harde lijn tegen de bendes. Waarschijnlijk hebben ze daarmee het geweld alleen maar verergerd .

El Salvador is nog steeds een arm land met een lange traditie van extreem geweld. Toch is het na de burgeroorlog deels andere wegen ingeslagen. Militairen zijn niet meer oppermachtig. Zij krijgen nog maar 1 procent van het BNP; in 1989 was dat 5 procent, het hoogste van Latijns Amerika. Armoede en ongelijkheid zijn afgenomen. Ook met democratie, corruptie en persvrijheid, hoe gebrekkig allemaal nog, is het beter gesteld dan ooit. Op die punten doet El Salvador het ook beter dan arme buurlanden als Honduras, Guatemala en Nicaragua. Maar het geweldsprobleem maakt het moeilijk grote stappen voorwaarts te maken.

Geschiedenis van El Salvador in jaartallen (vanaf de Spaanse conquista)

1525 Stichting van San Salvador door Spaanse conquistador Pedro de Alvarado.
1543 Huidige El Salvador onderdeel van Kapitein-generaalschap Guatemala.
1811 In San Salvador wordt de onafhankelijkheid van Spanje uitgeroepen.
1821 El Salvador onafhankelijk van Spanje na tien jaar op en neer gaan de strijd.
1821-1823 El Salvador onderdeel van keizerrijk Mexico.
1823-1839 El Salvador vormt met Guatemala, Honduras, Nicaragua en Costa Rica de Federale Republiek van Midden-Amerika. Veel onderlinge conflicten en strijd tussen liberalen en conservatieven.
1841 El Salvador roept onafhankelijkheid uit.
1841-1871 ONG (?) Strijd tussen liberalen en conservatieven. Zo’n vijftig presidenten. Oorlogen met buurlanden.
Na midden

 

19e eeuw

Koffie belangrijkste agrarische en exportproduct.
1881-1882 Om koffieproductie te bevorderen wordt gemeenschappelijke grond verboden. Indianen raken veel grond kwijt. Komt ten goede aan steeds rijkere en machtiger klasse van grootgrondbezitters: de oligarchie
Ong. 1880-1931 Oligarchie van bezitters van koffieplantages aan de macht
1931 Eerste enigszins vrij en eerlijke verkiezingen. Sociaaldemocraat Arturo Araujo tot president gekozen. Zelfde jaar afgezet door vicepresident generaal Maximiliano Hernández Martínez.
1931-1979 Grootgrondbezitters delen macht met militairen. Altijd militaire presidenten (op één na), vijf geslaagde militaire staatgrepen. Repressie tegen boerenorganisaties.
1932 Opstand van (vooral indiaanse) boeren door leger neergeslagen, de matanza (massaslachting) met tussen 10.000 en 30.000 doden. Breuklijn in de geschiedenis met grote gevolgen.
1932-1980

 

 

Enorme bevolkingsgroei: van 1,4 naar 4,6 miljoen.

 

Extreme concentratie van landbezit. Steeds meer landloze boeren.

Pogingen tot zeer beperkte landhervormingen.

Industrialisatie, maar weinig extra banen.

1969 Vierdaagse ‘Voetbaloorlog’ met Honduras.
1972 Christendemocraat Duarte wint verkiezingen, maar militairen accepteren dat niet en schuiven een militair naar voren
Jaren zeventig Grote invloed van bevrijdingstheologie in katholieke kerk. Daarmee valt de katholieke kerk weg uit machtsblok van grootgrondbezitters en militairen.
1979-1992 Burgeroorlog tussen leger en linkse guerrillastrijders (FMLN).
1980 Aartsbisschop Óscar Romero vermoord door rechts doodseskader, in opdracht van Roberto D’Aubuisson.
1980 Zeer beperkt uitgevoerde landhervorming.
1981 Militairen richten bloedbad aan in El Mozote.
1982 Moord op vier Nederlandse IKON-journalisten door het leger.
1984 Christendemocraat Duarte wint presidentsverkiezingen in tweede ronde van extreemrechtse D’Aubuisson van ARENA.
1992 Vredesakkoord. Militairen en FMLN leggen de wapens neer. Leger gehalveerd, FMLN wordt politieke partij. Strijders geïntegreerd in nieuwe Nationale Politie.
1993 Rapport Waarheidscommissie, meteen gevolgd door Amnestiewet.
1994 ARENA wint presidentsverkiezingen, FMLN (doet voor het eerst mee) tweede
1999 en 2004 ARENA wint presidentsverkiezingen.
2003 Mano dura (harde hand) beleid tegen jeugdbendes aangekondigd.
2009 ARENA wint presidentsverkiezingen met Mauricio Funes. Eerste keer dat linkse kandidaat in El Salvador wint. Eerste vreedzame presidentswisseling sinds burgeroorlog.
2014 FMLN wint weer met Salvador Sánchez Cerén.
2016 Hooggerechtshof verklaart amnestiewet van 1993 ongeldig.
2017 Wet verbiedt alle mijnbouw voor minerale grondstoffen (eerste ter wereld)
2019 Nayib Bukele (ex-FMLN) wint presidentsverkiezingen.

 

Deze bijdrage is onderdeel van de special El Salvador, april-mei 2020

 

Bookmark and Share

Bekijk ook


Terug