Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Guatemalteekse politiek: van kwaad tot erger

Datum : 19/10/2018
Auteur : Frank Bron
Land : Guatemala

Guatemalteekse politiek: van kwaad tot erger

In het Spaans staat ‘mala’ vaak voor ‘kwaad’. Het woordgrapje ‘desde Guatemala a Guatepeor’ (van Guate kwaad tot Guate erger) is dan gauw gemaakt. En inderdaad lijkt de geschiedenis van dit land een lange aaneenschakeling van dieptepunten. De politieke en economische elite doet er vaak alles aan om de enkele lichtpuntjes uit te doven. 

Met name de inheemse bevolking van Guatemala heeft te lijden onder aanhoudend wanbeleid, corruptie, racisme en soms regelrechte volkerenmoord. Reeds voor de Spaanse verovering was de economie van wat nu Guatemala is gebaseerd op landbouw. Dit veranderde niet tijdens de koloniale periode, hooguit werden er nieuwe gewassen geïntroduceerd zoals citrusvruchten. De inheemse bevolking leverde de menskracht voor de haciendas (grootgrondbezit voor landbouw of veeteelt in handen van Europeanen), maar bleef daarnaast haar eigen gewassen verbouwen, met name maïs en bonen. 

Net als elders in de regio was rond 1800 de onafhankelijkheidsbeweging geen strijd van de inheemse bewoners tegen de indringers, maar van de lokale afstammelingen van dezelfde indringers tegen de macht van het moederland. Ook na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Spanje in 1821 bleef het lot van de inheemse boerenbevolking gekenmerkt door armoede, uitbuiting en rechteloosheid. Vandaag de dag vormen zij zo’n 40 procent van de bevolking en zijn sterk oververtegenwoordigd onder de armste Guatemalteken. Op een enkele poging na hun lot te verbeteren, zoals tijdens de ‘Guatemalteekse Revolutie’ tussen 1944 en 1954, worden de belangen van Guatemalteken van inheemse komaf nog altijd nauwelijks meegewogen bij het opstellen van beleid, laat staan bij het uitvoeren daarvan. 

Sinds het ontstaan van Guatemala hebben militairen altijd grote invloed op de politiek gehad – zo waren verreweg de meeste presidenten afkomstig uit het leger. Niet alleen waren de banden tussen leger en politiek dus sterk, beide groepen waren ook nauw verbonden met de economisch machtigen. Omdat dit vaak buitenlanders waren, werd Guatemala al vanaf het begin van de 20e eeuw een voorbeeld van een ‘banenrepubliek’, waarbij buitenlandse fruitbedrijven de politiek bepaalden. Helemaal zonder slag of stoot ging dat niet. De militaire staatsgreep tegen de populaire president Árbenz (foto) gaf in 1954 het startsein voor linkse, gewapende krachten zich te organiseren in guerrillagroepen. Het leger wist deze bewegingen in de jaren zestig succesvol te elimineren, maar dat was slechts het begin van een gruwelijke burgeroorlog.

Verschroeide aarde

In de jaren zeventig kwamen er nieuwe guerrillabewegingen op, meer dan daarvoor gevormd door de inheemse bevolking. De overheid kon geen ander antwoord bedenken dan vervolging, gedwongen verdwijning en moord op oppositiepolitici, vakbondsleiders en andere activisten. De veiligheidsdiensten voerden een oorlog tegen alles wat links was of leek, met uitdrukkelijke steun van de Verenigde Staten en andere landen die meenden dat de Sovjet -Unie achter deze bewegingen zat. Tussen 1981 en 1983 paste het leger zelfs de tactiek van de verschroeide aarde toe, uitdrukkelijk gericht tegen de inheemse bevolking onder het mom van bestrijding van ‘sympathisanten van het communisme’. 

Militairen werden dus uitdrukkelijk ingezet tegen het eigen volk en niet om het land tegen aanvallen van buitenaf te verdedigen. Ze vormden een machtsmiddel in handen van de elite die veelal van Europese komaf was. Het moge duidelijk zijn dat er in de praktijk nooit sprake was van één Guatemalteekse bevolking, omdat de scheidslijnen tussen Europees en inheems, rijk en arm, opgeleid en ongeletterd, rechts en links grotendeels samenvielen.

Rond 1985 was het land oorlogsmoe, en zelfs vanuit Washington kwam steeds meer kritiek op het geweld van overheidswege. Een nieuwe grondwet werd opgesteld en een burgerpresident verkozen, Marco Vinicio Cerezo Arévalo. Met bemiddeling van de Verenigde Naties kwam er eind 1996 eindelijk een vredesakkoord tussen overheid en guerrilla, met mooie woorden over Guatemala als multiculturele en multilinguïstische samenleving met erkenning van de rechten en culturen van de inheemse bevolking. De verenigde guerrillabewegingen vormden een politieke partij, de Unidad Revolucionaria Nacional Guatemalteca (URNG, Guatemalteekse Nationale Revolutionaire Eenheid) en een waarheids- en verzoeningscommissie werd ingesteld.

Deze Commissie voor Historische Opheldering (CEH) concludeerde na diepgravend onderzoek van twee jaar dat er gedurende het 36-jaar durende conflict meer dan 200.000 mensen waren gedood of verdwenen en een miljoen mensen van huis en haard verdreven. Van de doden en vermisten was 93 procent het slachtoffer van militairen en paramilitaire groepen en behoorde 83 procent tot de inheemse bevolking. Voor zover het dat niet al was, werd nu duidelijk dat de burgeroorlog jarenlang gebruikt was als excuus voor keiharde onderdrukking van de wens van de inheemse bevolking tot ontwikkeling. Desondanks zetten de machthebbers en de militairen de hakken in het zand tegen elke vorm van gerechtigheid en genoegdoening van de, in hun ogen, onbeschaafde en communistische slachtoffers.

‘Disfunctioneel, racistisch en discriminerend’

Vandaag de dag is er nog maar weinig bereikt op het gebied van gerechtigheid, noch voor misdrijven gepleegd tijdens de burgeroorlog, noch daarna. Het land blijft verdeeld in ‘slachtoffers van het geweld’ en ‘verdedigers van het vaderland’. Het leger blijft bovendien een centrale machtsfactor die zijn eigen functioneren in de oorlog niet ter discussie wil stellen. De banden van de militairen met de politiek en de media zijn zo sterk dat er van een maatschappelijk debat geen sprake kan zijn. Hoewel het aanhoudende geweld in het land zeker niet alleen van de veiligheidsdiensten afkomstig is, hebben (voormalige) militairen hun ideeën over armere landgenoten niet achter zich gelaten. Het land blijft, in de woorden van de in Guatemala gespecialiseerde organisatie Impunity Watch, “disfunctioneel, racistisch en discriminerend, slechts reagerend indien de belangen van de economische of politieke elites in gevaar komen.” Daarmee zijn de oorzaken van het conflict van 1960 nog grotendeels dezelfde als toen: structurele ongelijkheid, gebrekkige vrijheid van meningsuiting en antidemocratische tendensen. De internationale context - Koude Oorlog - is weliswaar veranderd, maar buitenlandse factoren (drugshandel) blijven een belangrijke rol spelen.

Opvallend is dat het de inheemse bevolking nooit gelukt is haar omvang om te zetten in politieke invloed. Zelfs de bekendste inheemse Guatemalteekse, Rigoberta Menchú Túm (winnares Nobelprijs voor de Vrede 1992) kreeg als kandidate voor het presidentschap in 2007 krap 3 procent van de stemmen, tekenend voor haar gebrek aan aanhang in haar eigen land. Volgens de inheemse activist Manuel Calel Morales (Ixim Uleuw) uit Chichicastenango, zijn lokale ‘indígenas’ altijd tevreden geweest met een paar posters, een hapje te eten of een pet met het embleem van een politieke partij in ruil voor hun stem. Die stem ging opvallend vaak naar kandidaten met een militaire achtergrond, meldt hij via sociale media, “omdat ze geloven dat het juist de militairen waren die een einde maakten aan het 36 jaar durende gewapende conflict in hun land.” Voor hem is dit een duidelijke indicatie dat de inheemse bevolking murw is gebeukt na jaren van “verwoesting, dood en ellende.”

Toch wil Uleuw geen enkele bevolkingsgroep de schuld geven van de problemen in zijn land, al was het alleen maar omdat veel militairen juist uit inheemse kringen afkomstig waren. “In alle sectoren zijn er ook goede mensen die het beste van zichzelf geven om ons te redden van de oorzaken van corruptie in dit grootse vaderland.” Hoewel hij hen niet bij naam noemt, doelt hij hier op de juristen en anderen van het Openbaar Ministerie. Die hebben, weliswaar met steun van CICIG (Internationale Commissie Tegen Straffeloosheid in Guatemala), maar ook met gevaar voor eigen leven, de ene na de andere hooggeplaatste politicus, ondernemer of (ex-) militair aangeklaagd wegens onbestraft gebleven mensenrechtenschendingen tijdens de burgeroorlog, betrokkenheid bij gewapend geweld daarna of corruptie.

Deze mensen zijn vaak afkomstig uit de gegoede burgerij van het land, hebben de kans gekregen te studeren, maar hebben toch de kant van het recht gekozen en niet automatisch de kant van de sterksten in de samenleving. Zodoende is het inmiddels duidelijk geworden dat corruptie en machtsmisbruik zeker niet voorbehouden waren aan één bepaalde bevolkingsgroep of politieke partij. Ook de huidige president Morales, die zich bij zijn campagne in 2015 afficheerde als buitenstaander en evenmin afkomstig was uit de traditionele elite, wordt inmiddels beschuldigd van het aannemen van illegale campagnegiften en voelt het net van zijn eigen Openbaar Ministerie om zich sluiten.

Ook dat is typerend voor de Guatemalteekse politiek: deze draait niet om ideologie maar om machtsbehoud. En om de macht te behouden, op welk platform en op welk niveau je ook gekozen bent, dien je de heersende groepen te dienen terwijl het opkomen van alternatieven zoals een vakbeweging of een beweging van intellectuelen, voorkomen wordt of ingekapseld.

Jonge bevolking

Ondanks corruptie, machtsmisbruik en straffeloos doet Guatemala het sinds de vredesakkoorden van 1996 economisch niet slecht. Volgens een rapport van de Wereldbank heeft het “voorzichtige” macro-economische beleid van de afgelopen jaren Guatemala gemaakt tot een van de best presterende economieën van Latijns Amerika met groeipercentages ruim boven de 3 procent sinds 2012 bij een bevolkingsgroei van 2 procent.

Toch heeft het land een van de grootste inkomenskloven in de regio en zijn cijfers over ondervoeding en zuigelingensterfte onveranderd hoog, vooral buiten de steden. Dat betekent dat de opbrengsten van de economische groei vooral ten goede komen aan de rijken en dat de armen daar veel minder van profiteren. Nadat het percentage Guatemalteken dat in armoede leeft tussen 2000 en 2006 gedaald was van 56 tot 51 procent, was dat in 2014 weer gestegen tot 59 procent. De economische groei vertaalt zich dus niet in inkomensgroei voor de armste delen van de bevolking, waarvan 52 procent behoort tot een van de inheemse volkeren.

Bovendien waarschuwt de Wereldbank dat de overheid zelf veel te weinig profiteert van de relatief gunstige economie. Met andere woorden, er had meer belasting geheven kunnen worden op economische activiteiten om daarmee sociale ontwikkeling te stimuleren en de infrastructuur te verbeteren. Ook investeren in meer veiligheid zou niet alleen de eigen bevolking ten goede komen, maar wellicht ook buitenlandse investeringen aantrekken.

Daarnaast heeft het land een sterk groeiende en nog steeds jonge bevolking met een gemiddelde leeftijd van twintig jaar. Geen enkel land in de Amerika’s zag de afgelopen eeuw een zo sterke bevolkingsgroei als juist Guatemala, dat rond 1900 nog geen miljoen inwoners telde. De komende jaren zal er een economische toekomst voor al deze jongvolwassenen gecreëerd moeten worden waarbij een leidende rol van de overheid logisch lijkt. De overheidssector is echter klein en krimpend (privatisering), waarmee de regering steeds minder instrumenten in handen heeft om zelf inkomsten te verwerven of beleid te bepalen. Er lijkt echter ook weinig bereidheid te bestaan beleid te ontwikkelen dat tegen de individuele belangen van de beleidsmakers in kan gaan, hoe goed dat voor het land ook zou kunnen zijn. Of de economische groei zich uiteindelijk ook zal vertalen in maatschappelijke ontwikkeling, veiligheid en welvaart valt nog te bezien, maar vooralsnog is dit wel degelijk een lichtpuntje in het Guatemala van tegenwoordig. 

Deze bijdrage is onderdeel van de special 'Guatemala'

Bookmark and Share

Bekijk ook


Terug