Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Milieu & Natuur

Hotspots en hete piepers

Voedselzekerheid en de agrobiodiversiteit van de aardappel tussen internationale verdragen en kleine boeren

Datum : 30/09/2017
Auteur : Stef de Haan

Hotspots en hete piepers

De uit Latijns Amerika afkomstige aardappel is wereldwijd een belangrijk voedselgewas. Gebruik van de enorme biodiversiteit van aardappelrassen is essentieel voor voedselzekerheid. Toch leven kleine Andesboeren, de ‘bewakers’ bij uitstek van die diversiteit, nog vaak in armoede. Ze hebben nog weinig geprofiteerd van internationale verdragen. Wel zijn er steeds meer kleinschalige privé-initiatieven met een positieve impact. De diversiteit van de aardappel blijft een bron van innovatie die de Andesboeren gebruiken voor aanpassing aan veranderende omstandigheden.

De aardappel, van oorsprong een Latijns-Amerikaans cultuurgewas, is tegenwoordig het belangrijkste voedselgewas ter wereld na rijst, tarwe en maïs. China en India zijn de grootste producenten van het knolgewas en in lage inkomenslanden als Bangladesh en Ethiopië staat de aardappel prominent op het menu. De aardappel is een voorbeeld van een schijnbaar soepele integratie in de wereldwijde voedselcultuur van Vlaamse frieten, Italiaanse gnocchi’s tot oer-Hollandse stamppot. De wereldreis van de aardappel vanuit Zuid-Amerika naar Europa, Azië en Afrika heeft meerdere schrijvers geïnspireerd. Zo schreef W.H. Oliemans Het Brood van de Armen: de geschiedenis van de aardappel te midden van ketters, kloosterlingen en kerkvorsten, terwijl R.N. Salaman The History and Social Influence of the Potato vastlegde.  Recentelijk publiceerde J. Reader Potato: a history of the propitious esculent over de ongehoorde geschiedenis van de pieper.

Donker als onze huid

Het belangrijkste handelsmerk van de aardappel is de toegankelijkheid voor arme bevolkingsgroepen. De aardappel is voedzaam, wordt gegeten waar hij wordt geproduceerd en is niet beursgenoteerd zoals veel graangewassen. De aardappel is diepgeworteld in de Andescultuur. De Chileense Nobelprijswinnaar Pablo Neruda dichtte: “Je  bent donker als onze huid, wij zijn Amerikanen, aardappel, wij zijn Indianen”. Desondanks beschouwden de Inca’s de aardappel als voedsel voor de ‘gewone’ man en niet, zoals maïs, voor de elite. En dus niet waardig om nadrukkelijk te worden afgebeeld in fraaie kunstobjecten. In de Moche- en Chimu-cultuur in de noordelijke kuststreek van hedendaags Peru werd daar anders over gedacht. De Moche en Chimu maakten honderden potten van de diverse aardappelrassen.

Het belang van zogenaamde genetische bronnen oftewel agrobiodiversiteit van de aardappel voor de voedselzekerheid leidde tot Europese expedities naar het Zuid-Amerikaanse oorsprongsgebied om ‘primitieve’ landrassen en wilde verwanten te verzamelen. Als eersten gingen tussen 1925 en 1933 geleerden uit de toenmalige Sovjet-Unie op pad naar Midden-Amerika en de Andesregio. In 1938-1939 ondernam J.G. Hawkes van het Britse Imperiaal Bureau voor Plantenteelt en Genetica een verzamelmissie naar Peru, Bolivia en Ecuador. Nederlanders gingen relatief laat. Pas in 1955 reisde landbouwkundige H.J. Toxopeus naar Peru om landrassen te verzamelen.

De verzamelde soorten en rassen worden nu bewaard in genenbanken, zoals bij het Centrum voor Genetische Bronnen (CGN) in Wageningen, het James Hutton Institute in Schotland en het Internationaal Aardappel Centrum (CIP) in Peru. De verzamelmissies dienden vooral om de biologische materialen te karakteriseren, te conserveren en actief te gebruiken voor veredeling. Vaak werd verondersteld dat de lokale diversiteit, traditionele kennis en unieke productiesystemen uiteindelijk zouden verdwijnen. Daarom zou de opslag in genenbanken bijdragen aan het voorkomen van uitsterving door genetische erosie.

Veredelaars

De duizenden landrassen en meer dan honderd wilde verwanten van de aardappel zijn een bijna onuitputtelijke bron van innovatie voor veredelaars. Uiteindelijk werd voor tal van verbeteringen teruggegrepen naar de variatie in de zogenaamde genenpoel uit het oorsprongsgebied van de aardappel. Dat geldt voor resistentie tegen ziekten en plagen, tolerantie tegen droogte of een hoog zoutgehalte in de grond, en voor het voedingsrijker maken van het gewas. Zo ontwikkelde  het Nederlandse Project DuRPh door middel van het stapelen van specifieke genen uit wilde aardappelsoorten duurzame resistentie tegen de gevreesde aardappelziekte (Phytophthora infestans). Ook de veredeling van nieuwe rassen met een verhoogd ijzergehalte op het Internationaal Aardappel Centrum (CIP) gebeurde met landrassen uit de genenbank. Toepassingen uit de wetenschap kunnen uiteindelijk bijdragen aan een meer voedselzekere wereld. Wie wil er niet dat we gezonder en milieuvriendelijker eten? Aardappels waarop minder gespoten hoeft te worden, of die rijker zijn aan ijzer, vitaminen en mineralen, kunnen daaraan bijdragen.

Sinds op de milieuconferentie van de Verenigde Naties in Rio de Janeiro in 1992 de Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD), kortweg Biodiversiteitsverdrag, werd aangenomen, is het verzamelen van nieuwe aardappeldiversiteit een stuk moeilijker geworden. Landen hebben soevereine rechten over hun genetische bronnen. Wat voorheen werd gezien als een vrij beschikbaar publiek goed, wordt nu primair beschouwd als een nationale hulpbron en een erfgoed, waaraan rechten van boeren en van eventuele traditionele kennis zijn verbonden. De aardappel is opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische bronnen voor voedsel (ITPGRFA) uit 2001, waarin rechten van boeren nadrukkelijk worden erkend.

Hommels

Er is steeds meer bewustzijn en erkenning dat kleinschalige boeren in het oorsprongsgebied van de aardappel een onmisbare rol spelen bij het behoud en de voortdurende evolutie van het gewas. Meerdere studies hebben aangetoond dat Quechua- en Aymara-indianen in de Andes veerkrachtig, flexibel en creatief omgaan met de agrobiodiversiteit. Culturele identiteit, superieure smaak, risicospreiding en het verkrijgen van een stabiele oogst in marginale omstandigheden zijn belangrijke beweegredenen voor de boeren. Terwijl in een recent verleden nog werd gedacht dat genetische erosie de aardappel in de Andes onvermijdelijk zou wegvagen, blijkt nu dat boeren in verschillende hotspots in onder andere Peru, Bolivia en Chili vaak nog meer diversiteit behouden dan voor mogelijk werd gehouden. Conservering ter plaatse oftewel in-situ en de creatie van nieuwe diversiteit zijn het resultaat van de actieve teelt van landrasmengsels door kleinschalige boeren. De rassen groeien vaak naast de wilde verwanten van de aardappel en hommels faciliteren spontane kruisbestuiving.

Penicilline

De belangrijke rol van kleine en indiaanse boeren wordt ook nadrukkelijk erkend in het Protocol van Nagoya over ‘Access and Benefit Sharing’ (ABS). Oftewel toegang en winstdeling, een aanvullende overeenkomst van 2010 op de CBD, het Biodiversiteitsverdrag. Dit protocol reguleert de toegang tot genetische hulpbronnen en het eerlijk en billijk delen van de voordelen die voortvloeien uit hun gebruik. Het protocol is met name van toepassing op gecultiveerde en wilde planten die niet in het eerdere ITPGRFA-verdrag waren opgenomen. Maar sinds 2008 heeft ook de ITPGRFA een fonds voor ‘Benefit Sharing’ dat wordt beheerd door de Wereldvoedselorganisatie (FAO) van de Verenigde Naties in Rome.

De zogenoemde Aichi Biodiversiteitsdoelstellingen, die bij het CBD-verdrag horen, benadrukken de bescherming van traditionele kennis en het delen van winsten die voortvloeien uit de exploitatie van agrobiodiversiteit. De traditionele kennis over de aardappel in Zuid-Amerika is zeer divers. Het gaat daarbij om classificatiesystemen en medicinaal gebruik van rassen of wilde soorten. Tot zulke kennis behoren ook bepaalde processen zoals het vriesdrogen van bittere aardappels tot zogenaamde chuño, moraya en tunta die lang bewaard kunnen blijven, en de fermentatie van piepers tot tokosh, een soort natuurlijke penicilline die al bij de Inca’s bekend was. De Aichi-doelstellingen beogen ook het handhaven van de genetische diversiteit van cultuurgewassen, gedomesticeerde dieren en wilde verwanten, en het ontwikkelen en toepassen van strategieën om het behoud van agrobiodiversiteit te waarborgen.

Biopiraterij

Je zou denken dat met al die nieuwe verdragen en inzichten de situatie voor gebruikers van agrobiodiversiteit - zoals veredelaars in Nederland - en de oorspronkelijke leveranciers – zoals kleine boeren in de Andes – zichtbaar is verbeterd. Helaas is niets minder waar. Maar wat zijn dan de hot potatoes? Toegang tot genetische bronnen of biopiraterij, waarbij het woordgebruik afhangt van wie de belanghebbende partij is, blijft een heet hangijzer. De verdragen hebben de toegang, met name tot de diversiteit uit centra van oorsprong, bemoeilijkt. Het komt erop neer dat de deuren nu dicht zitten. De landen in de centra van oorsprong, zoals Peru en Bolivia, verwachten dat er heel veel geld verdiend zal worden door het gebruik van genetische bronnen. De realiteit is echter dat innovatie veel tijd kost en lang niet altijd resulteert in winst. Ook komen de fondsen voor ABS vaak niet bij de kleine boer terecht en weten bedrijven niet goed hoe ze de winstdeling praktisch vorm kunnen geven.

Recente gevallen van roof van genetische bronnen, zoals van de kruidachtige plant maca (Lepidium meyenii, wel de ‘Peruaanse ginseng’ genoemd) door China, werken als olie op het vuur en doen de deuren verder dicht. Gelukkig zijn er ook positieve voorbeelden, zoals de recente initiatieven van de Londense Botanische Tuinen van Kew om, samen met Peruaanse overheidsinstanties, verschillende wilde verwanten van de aardappel te verzamelen.

Pallay Pnocho

Benefit sharing, oftewel het delen van eventuele winsten die voortkomen uit het gebruik van agrobiodiversiteit of verwante traditionele kennis, blijkt een struikelblok. Hoe zorg je dat investeringen vanuit de aardappelsector daadwerkelijk bij arme indiaanse Andesboeren terechtkomen? Bereiken de fondsen en inkomsten die via het ITPGRFA-potje bij de FAO in Rome naar overheden en non-gouvermentele organisaties (ngo’s) stromen wel echt de ‘bewakers’ van agrobiodiversiteit? Het is inderdaad tegenstrijdig en wrang dat de kleine boeren en families die traditioneel de meest unieke agrobiodiversiteit behouden vaak extreem arm zijn en in marginale omstandigheden leven. Dit is in strijd met de doelstelling van internationale verdragen.

Er komen echter steeds meer innovatieve en nieuwe benaderingen om winsten te delen. Zo ondersteunt het Nederlandse aardappelveredelings- en pootgoedbedrijf HZPC een organisatie van agrobiodiversiteit bewakende boeren in de centrale Andes van Peru. De fondsen worden direct beheerd door de boeren en leden zelf. Een externe steungroep van overheidsinstanties en ngo’s begeleidt de boerenorganisatie zonder daar kosten voor te rekenen. Een ander voorbeeld van praktische ‘benefit sharing’ regelingen is participatieve veredeling van nieuwe aardappelrassen die aangepast zijn aan klimaatsverandering. Boeren en veredelaar werken dan direct samen om nieuwe aangepaste rassen te ontwikkelen. De selectie gebeurt lokaal: een voorbeeld uit de Andes betreft de selectie van de resistente rassen Pallay Poncho en Puka Lliclla in Quechua gemeenschappen in Paucartambo, Cusco. Ook is lesmateriaal ontwikkeld waarin de kennis over de aardappel van de lokale Quechua en Aymara hoog wordt gewaardeerd.

Tienduizend jaar

Een andere hete pieper vormen de totaal verschillende, en soms zelfs tegengestelde, wijzen waarop externe actoren zoals regeringen, ontwikkelingsorganisaties en onderzoeksinstituten het behoud van de agrobiodiversiteit van de aardappel proberen te waarborgen. Strategieën variëren van de creatie van ‘aardappelparken’ met geherintroduceerde diversiteit tot de ontwikkeling van speciale nichemarkten voor culinaire landrassen. Zulke strategieën zijn meestal het resultaat van visies van buitenaf op ontwikkeling en sluiten te weinig aan bij de autonome capaciteit van boeren zelf om agrobiodiversiteit te behouden. Tenslotte is de huidige rijkdom en variatie van aardappel landrassen het resultaat van tienduizend jaar domesticatie en innovatie door boeren, zowel op de hoogvlakten van de Andes als op de eilandengroep van Chiloé in Zuid-Chili. Wat is de drijfveer van de boeren zelf? Waarom verbouwen ze nog steeds zoveel rassen vandaag de dag? En hoe kunnen externe actoren de initiatieven van de boeren ondersteunen zonder een nieuwe blauwdruk op te leggen?

De aardappel blijft essentieel voor de wereldvoedselzekerheid. De rijkdom aan soorten, wilde verwanten en rassen in genenbanken en op de velden van boeren in Zuid-Amerika is de sleutel tot aanpassing aan nieuwe omstandigheden zoals klimaatverandering. De huidige impasse over de toegankelijkheid van genetische bronnen zal ongetwijfeld worden doorbroken. De transitie van ‘vrije toegang’ tot ‘gereguleerde toegang met ‘benefit sharing’ is al aan de gang. Werkbare en duidelijke regels zijn internationaal van belang, maar de toepassing van ‘benefit sharing’ in de agrobiodiversiteit hotspots moet uiteindelijk breed worden gedragen door kleinschalige boeren en dus flexibel genoeg zijn om in lokale behoeften te voorzien.

Stef de Haan is landbouwkundig onderzoeker bij het CIAT in Hanoi, Vietnam. Tussen 1997 en 2015 werkte hij in de Andes, o.a. voor het CIP. Hij is nog altijd actief in de Andes-regio via de ngo Grupo Yanapai.

Deze bijdrage vormt onderdeel van de Voedsel Special van La Chispa, september-oktober 2017

Bookmark and Share


Terug