Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Militairen en partijbureaucraten bepalen speelruimte

Voor opvolger van president Raúl Castro is economie prioriteit

Datum : 23/02/2018
Auteur : Kees van Kortenhof
Land : Cuba

Militairen en partijbureaucraten bepalen speelruimte

De opvolger van de huidige Cubaanse president, Raúl Castro, staat een lastige taak te wachten. De economie kwakkelt, de particuliere sector lijdt onder bureaucratie en de Verenigde Staten hebben de onder president Obama ingezette dooi in de onderlinge relaties teruggedraaid. Daarnaast is bondgenoot en olieleverancier Venezuela weggevallen, omdat dit land zelf in een crisis verkeert. Het is de vraag of Miguel Díaz-Canel, de vermoedelijke volgende president, deze uitdagingen aankan en hoeveel speelruimte hij heeft.

Op 19 april 2019 legt president Raúl Castro (86) zijn functie als Cubaans president neer. Een symbolische datum, want op die dag wordt in Cuba de mislukte Amerikaanse invasie van de Varkensbaai in 1961 herdacht. De komende presidentswisseling speelt zich af tegen een gecompliceerd decor. De economische hervormingen die Raúl Castro – naar eigen zeggen “ binnen het socialistische model” – introduceerde, hebben weliswaar geleid tot een bescheiden economische groei, maar ook tot een grotere ongelijkheid in de Cubaanse samenleving. Internationaal is het scenario ingrijpend veranderd. De olieleveranties uit Venezuela zijn fors afgenomen, Rusland en China zijn minder royaal voor Cuba dan voorheen en de vijandige politiek van de Amerikaanse president Donald Trump doet potentiële investeerders en toeristen uit de Verenigde Staten aarzelen. De huidige eerste vicepresident en beoogd opvolger van Castro, Miguel Díaz-Canel (57), staat voor een ongekende uitdaging. Of hij doortastend genoeg kan en zal optreden, is de vraag. Tot nu toe lijken de Cubaanse leiders gevangen te zitten tussen de noodzaak tot verandering en de angst ervoor.

Versterking instituties

Raúl Castro leidt Cuba sinds 2006, toen zijn oudere broer Fidel wegens ziekte zijn functies neerlegde. Hij heeft zich in de twaalf jaar dat hij aan de macht is, ingespannen om het Cubaanse communistische regime te institutionaliseren, een reactie op de eigenzinnige aanpak van Fidel. Terwijl Fidel overal en altijd dominant aanwezig was, vertrouwde Raúl meer op de managementskwaliteiten van een collectief leiderschap. Hij vierde de economische teugels, maar veel minder dan de machthebbers in China of Vietnam dit deden en hij vermeed angstvallig om de term hervorming te gebruiken. Particuliere economische initiatieven leken de ruimte te krijgen binnen de communistische bureaucratie. Woonkamers werden verhuurd aan toeristen, duistere bars werden omgetoverd in elegante restaurants en het aantal nachtclubs en dancings groeide, vaak mogelijk gemaakt met dollars van Cubaanse Amerikanen. Deze economische veranderingen hadden ook hun keerzijde. Cubaanse onderwijzers ontvluchtten hun school om als particulier taalcursussen Engels te geven. Staatscontroleurs van de particuliere winkels ontdekten de voordelen van het financieel gesjoemel in de deviezensector. De relatieve welvaart van degenen die voor zichzelf gingen werken, de zogenaamde cuentapropistas, roept jaloezie op bij armere Cubanen.

Aarzelende hervormingen

In augustus vorig jaar kwam aan die ontwikkeling een einde. Toen bepaalde de regering dat voor 24 beroepen van de lijst van 201 beroepen die particulieren vrij mogen uitoefenen, voorlopig geen vergunningen meer worden verleend. Bij zijn aantreden had Raúl Castro gesteld dat particulier initiatief niet langer een vloek was en hij had juist de staatsbedrijven inefficiënt en verliesgevend genoemd. Nu bekritiseerde hij de “illegaliteit en andere onregelmatigheden” die zich bij particuliere ondernemers voordeden, waaronder belastingontduiking. Hij zweeg over de dwaze regelgeving en verboden die zulk ongewenst gedrag mogelijk maken. De tijdelijke opschorting geldt onder andere voor nieuwe restaurants, het verhuren van kamers aan toeristen, het repareren van elektronische apparatuur en muziekonderricht.

“De overheid bestrijdt rijkdom, niet de armoede”, klaagde een ondernemer die een vergelijking maakte met eerdere ingrepen van bovenaf ten tijde van het presidentshap van Fidel Castro. Toen werden plotseling de particuliere boerenmarkten opgeheven, omdat Fidel constateerde dat de “boeren veranderden in kapitalisten.” Iedere keer zijn vernieuwingen teruggedraaid, meestal om politieke en ideologische redenen en hervormingsgezinde economische adviseurs verdwenen van het toneel. Door deze maatregelen is het experiment van Cuba met het kapitalisme niet abrupt beëindigd, maar het lijkt wel verlamd. De meeste van de 500.000 cuentapropistas kunnen doorgaan met hun bedrijfjes zoals voorheen. Maar de overheid wantrouwt hen; hun hang naar onafhankelijkheid zou op een dag kunnen leiden tot dissident gedrag. Een half jaar later zit de particuliere sector in Cuba nog steeds op slot. Florerende bedrijven en winstgevende ondernemingen zijn blijkbaar geen onderdeel van de hervormingen binnen het socialistisch model.

Buitenlandse investeringen

Vergelijkbaar is de situatie rond de buitenlandse investeringen. Zelfs de partijkrant Granma constateert dat de ‘Wet op Buitenlandse Investeringen’ die in april 2014 is aangenomen “niet die dynamiek teweeg heeft gebracht die er van verwacht kon worden.” In 2017 hebben  buitenlandse bedrijven voor zo’n 510 miljoen dollar in Cuba geïnvesteerd. “Twijfels, angst voor het spook van de markt en onhoorbaar intern verzet bemoeilijken de onderhandelingen met buitenlandse ondernemers die onder andere te maken hebben met barrières om personeel en Cubaanse diensten te contracteren”, aldus de vooraanstaande econoom Ariel Terrero in de partijkrant. In zijn artikel ‘De dreiging van de traagheid’ concludeert hij: “Zonder welvaart zal het socialisme altijd een utopie blijven.” Welvaart vraagt om investeringen en volgens het Ministerie van Buitenlandse Handel heeft het land in ieder geval een jaarlijkse groei van 5 tot 7 procent nodig. Dat vraagt om een jaarlijkse investeringsstroom van twee tot tweeënhalf miljard dollar, rekende de Granma eind 2014 uit.

Val koopkracht

Een van de voormalige hervormingsgezinde adviseurs van Raúl Castro is Pavel Vidal. Hij constateert in een studie die de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank afgelopen januari heeft gepubliceerd dat de Cubaanse economie steeds meer terrein heeft verloren ten opzichte van andere Latijns-Amerikaanse landen. Vidal had toegang tot internationaal vergelijkbare ramingen van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van Cuba sinds 1970. Hij stelt vast dat het BBP per persoon in 2014 slechts 3,016 dollar bedroeg, amper de helft van het officieel gerapporteerde cijfer en slechts een derde van het Latijns-Amerikaanse gemiddelde. In dit cijfer zijn de waarden van gratis onderwijs, gezondheidszorg en wonen die Cubanen ontvangen, inbegrepen. Rekeninghoudend met de koopkracht bedroeg het BBP in 2014 per persoon 6,205 dollar, ofwel 35 procent minder dan in 1985. Vervolgens maakt Vidal een vergelijking tussen Cuba en tien andere Latijns-Amerikaanse landen waarvan de bevolking qua omvang vergelijkbaar is. Terwijl Cuba in 1970 het op één na rijkste land was - Uruguay was het rijkst - stond het land in 2011, het laatste jaar waarvan gegevens beschikbaar zijn, op de zesde plaats en was ingehaald door Panama, Costa Rica, de Dominicaanse Republiek en Ecuador.

Versnelling noodzakelijk

De daling op deze ranglijst is vooral te wijten aan het ontbreken van omvangrijke investeringen, meent Pavel Vidal. Ook de krimpende en vergrijzende bevolking, het Amerikaanse embargo en de schade die is veroorzaakt door orkaan Irma die het land vorig jaar trof, spelen een rol. Volgens Vidal hebben de economische hervormingen geleid tot een bescheiden stijging van het BBP (1,6%) en zelfs van de productiviteit, met name in de toeristensector. De regering gaat “in de goede richting maar is tekortgeschoten”, besluit hij.  Voor de huidige eerste vicepresident en waarschijnlijke opvolger van Raúl Castro, Miguel Díaz Canel, heeft hij een duidelijk advies: “Versnel de economische veranderingen.” Maar dat brengt politieke risico’s met zich mee. Niet alleen de ‘historische generatie’ van Cubaanse leiders, degenen die de Triunfo, de overwinning van de Revolutie in 1959 nog hebben meegemaakt, is zich daarvan bewust. Zij hebben nooit veel op gehad met pro- markthervormingen. Ook Díaz Canel, die met zijn 57 jaar tot de jongere generatie leiders hoort en partijleider was in de steden Villa Clara en Hilguín, lijkt zich vast te klampen aan de oude politieke ideologie. 

Perscensuur

Vorig jaar verspreidden sociale media in Cuba een video met delen van een toesprak die de gedoodverfde opvolger van Raúl Castro in februari had gehouden voor kaderleden van de Cubaanse Communistische Partij (PCC). Hij uitte kritiek op de particuliere ondernemerssector waar de internationale media “zoveel ophef”over maken. “Vandaag houdt iedereen je voor dat de cuentapropista de succesvolle man in Cuba is”, aldus Díaz Canel. “Het is de bedoeling het succes te bevorderen van de kleine en middelgrote ondernemers, want zij willen de niet-statelijke sector veranderen in een sector van oppositie tegen de revolutie”, voegde hij eraan toe. Ook blijkt Díaz Canel een voorstander te zijn van perscensuur. Over het Cubaans-Amerikaanse tijdschrift On Cuba, een kritisch medium dat positief staat tegenover de revolutie maar kritische kanttekeningen plaatst bij bepaalde ontwikkelingen zei hij: “We zullen zulke platforms sluiten en wie daar een schandaal van maakt, moet dat vooral doen. Ze zullen zeggen dat wij censuur uitoefenen, maar heel de wereld censureert”, aldus Díaz-Canel.

Conservatief

De vaak gehanteerde tweedeling tussen reformisten (ook raulistas genoemd), die particuliere ondernemingen en coöperaties willen bevorderen en conservatieven of fidelistas, die het centralisme willen behouden en een Koude-Oorlog-ideologie verkondigen, lijkt op dit moment niet op te gaan. Eerder is er sprake van spanningen tussen twee tendensen die beiden conservatief zijn met graduele verschillen. Ze zijn allebei gericht op behoud van de status quo en de daarmee verbonden economische en politieke macht. De speelruimte van de nieuwe president wordt ingeperkt door de militairen en partijbureaucraten. Zij zullen de plaats innemen van de ‘historische generatie’ en er is hen alles aan gelegen ervoor te zorgen dat een groot deel van de winsten van succesvolle bedrijven naar de staat blijft gaan. Al eerder liep de door de staat geleide economie vast, onder meer doordat winstgevende bedrijven onvoldoende kunnen herinvesteren. Het telecommunicatiebedrijf ETECSA is zo’n winstgevend bedrijf,  maar 70 procent van de opbrengsten gaat naar de staat. Hierdoor kan het bedrijf nauwelijks herinvesteren en groeit het slechts langzaam. De stemming op 19 april, wanneer 605 parlementsleden - zoals vanouds unaniem – de nieuwe president kiezen, zal aan deze situatie niets veranderen. Het is heel goed mogelijk dat de nieuwe president toestemming zal vragen aan het parlement om zijn voorganger, de oude generaal Raúl Castro, tot  permanente adviseur van de nieuwe regering te benoemen.  

De auteur is eindredacteur van de Cubaweblog van de stichting Glasnost in Cuba

Bookmark and Share


Terug