Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Nederlandse betrokkenheid bij Latijns Amerika

Einde of nieuw begin?

Datum : 04/06/2015
Auteur : Frank Bron

Nederlandse betrokkenheid bij Latijns Amerika

Zo’n halve eeuw geleden raakte Nederland betrokken bij de maatschappijopbouw in Latijns Amerika. Veel landen daar zuchtten onder dictaturen, onder armoede of een combinatie daarvan. Inmiddels lijkt de situatie in de regio structureel verbeterd. De Nederlandse belangstelling neemt dan ook af. Maar is dat terecht?  

“Zoals je weet is Peru tot middeninkomenland verklaard”, schreef mijn vriendin Ana María, “en daarom trekken veel ontwikkelingsfondsen zich momenteel terug.” Dat geldt ook voor de Nederlandse donoren van haar kinderrechtenorganisatie. Hun oorspronkelijke doel, armoedebestrijding, lijkt immers grotendeels bereikt. Gevolg is dat veel sociale organisaties in Peru op zoek moeten naar nieuwe donoren en dat is niet eenvoudig, want Nederlandse organisaties zijn niet de enigen die zich terugtrekken. Volgens Ana María gebeurt dat echter op onterechte gronden, want “het gemiddelde inkomen versluiert de werkelijkheid van armoede en ongelijkheid in het land.” 

Superrijken

Wat voor Peru geldt, geldt voor veel landen in de regio: superrijken als de Mexicaan Carlos Slim Helú en een groeiende middenklasse halen het gemiddelde inkomen enorm omhoog. Bovendien is in veel landen de absolute armoede de laatste jaren daadwerkelijk afgenomen. Statistieken laten echter lang niet altijd zien dat sommige bevolkingsgroepen oververtegenwoordigd zijn in bepaalde categorieën en andere ontbreken, temeer daar betrouwbare informatie vaak schaars is in landen met een zwakke overheid en een grote informele sector. Maar toch: zouden lokale overheden en elites niet eens wat meer het heft in eigen hand moeten nemen om de aanhoudende sociale problemen aan te pakken, zeker nu hun landen zo veel meer te besteden hebben dan voorheen? Of, anders gesteld, moeten Latijns-Amerikaanse sociale en ontwikkelingsorganisaties niet meer inzet van hun eigen autoriteiten eisen om maatschappelijke problemen aan te pakken? En zo ja, wat voor rol zouden Nederlandse organisaties daarbij dan nog kunnen spelen?

Op dit moment lijkt Nederland zich niet alleen uit Peru terug te trekken, maar uit de hele regio. In 2012-2013 zijn niet minder dan vijf ambassades gesloten, bekende niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) als Novib hebben zich teruggetrokken en Radio Nederland Wereldomroep heeft haar op dat werelddeel gerichte uitzendingen gestaakt. Volgens het rapport Op zoek naar nieuwe verhoudingen, een evaluatie uit 2013 van het Nederlandse Latijns Amerika-beleid, is de Nederlandse bemoeienis met het gebied inderdaad (soms te) snel afgebouwd en bestaat de traditionele donor-ontvangerrelatie van rond de eeuwwisseling niet meer. Is Latijns Amerika daarmee inderdaad in korte tijd een onderbelichte en ondergewaardeerde regio geworden, zoals ViceVersaonline zich in juni 2011 al afvroeg?

Menselijke ontwikkeling

Het lijkt er vaak op dat. na het ‘verloren decennium’ van de tachtiger jaren van de vorige eeuw Latijns Amerika op eigen kracht de weg naar boven gevonden heeft en hulp van elders dus niet meer nodig is. De UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, schrijft in het 2013 Human Development Report lovende woorden over de vooruitgang in de regio, met name over de verschillende armoedebestrijdingprogramma’s. Toch waarschuwt de organisatie voor te veel optimisme: “Economische groei alleen is niet voldoende voor menselijke ontwikkeling. Speciaal beleid gericht op de armsten en significante investeringen in mensen – door nadruk op onderwijs, voeding, gezondheid en arbeidsvaardigheden – blijven nodig voor menswaardige arbeidsomstandigheden en duurzame vooruitgang.” Begin dit jaar trok CEPAL, de economische commissie van de Verenigde Naties, aan de alarmbel omdat in 2014 nog 28 procent van de Latijns-Amerikanen in armoede leefde, dat zijn 167 miljoen mensen. Daarmee was een einde gekomen aan een jarenlange gestage daling. Sterker nog, het aantal mensen dat in behoeftige omstandigheden leefde, was zelfs iets gestegen ten opzichte van 2012: van 11 naar 12 procent.         

Schrikbarend 

Ondanks daadwerkelijke vooruitgang de laatste jaren in Latijns Amerika zijn opeenvolgende gekozen regeringen er niet in geslaagd sterke overheden te creëren of om buitensluiting van grote groepen van de bevolking (kleine boeren, vrouwen, inheemsen en armen) tegen te gaan. Velen blijven om te overleven aangewezen op de informele sector. Daarnaast is de veiligheid van de bevolking in de meeste landen absoluut niet verbeterd: de moordcijfers in landen als Honduras, Jamaica en Venezuela zijn schrikbarend hoog en de pakkans voor de daders onbegrijpelijk laag. Latijns Amerika wordt meer en meer gekarakteriseerd door toenemend geweld en grootschalig kapitalisme. Dat laatste heeft in grote delen van de regio weliswaar tot economische groeicijfers geleid, maar tegelijkertijd zijn daardoor veel arme boeren van hun grond verdreven. In steeds meer gebieden is geen fatsoenlijk lager onderwijs of basisgezondheidszorg meer, of is het moeilijk mensen te vinden die daar willen werken. Volgens UNESCO komt dat doordat plattelandsbewoners nauwelijks vertegenwoordigd zijn in de politiek en hun belangen op nationaal niveau nauwelijks aandacht krijgen. In gebieden waar de overheid afwezig is, krijgen misdadigers de kans om hun eigen structuren op te bouwen. Zet de overheid tegen hen dan het leger in, dan is opnieuw de bevolking het slachtoffer en vlucht weg.

Daarnaast hebben grootschalige economische ontwikkelingsprojecten vaak een desastreuze invloed op de natuur (ontbossing, verwoestijning), waardoor ook anderen gedwongen worden huis en haard te verlaten. De trek naar de grote steden is massaal, maar juist de wijken waar deze mensen terecht komen, worden eerder gekarakteriseerd door geweld dan door maatschappelijke kansen. Inmiddels woont maar liefst een derde van alle Peruanen en een kwart van de Mexicanen in de hoofdstedelijke agglomeraties. Zo’n tien jaar geleden kwamen er gemiddeld 41 vluchtelingen per dag aan in Bogotá. De voorzieningen in de steden en de uitbreiding daarvan zijn niet berekend op zulke grote aantallen, zelfs al zou er sprake zijn van stadsplanning.

Diffuus

Aan de Nederlandse kant zijn de bekende ngo’s Novib, Cordaid, ICCO en Hivos niet meer de grote spelers van een generatie geleden, onder meer door het openstellen van overheidssubsidies voor andere organisaties. Bij een sterk gekrompen overheidsbudget voor ontwikkelingssamenwerking en een afnemende bereidheid onder de bevolking om geld aan ontwikkelingshulp te geven, zijn veel grote ontwikkelingsorganisaties kleiner geworden. Ze zien zich gedwongen hun uitgaven te heroverwegen. Zo concentreren ze hun activiteiten tegenwoordig op minder landen en meer op thema’s en hebben ze veel werkzaamheden gedecentraliseerd naar veldkantoren. Gert Kuiper van ICCO ontkent desgevraagd dat zijn organisatie zich uit Latijns Amerika terugtrekt. Ondanks een krimpend budget is ICCO nog steeds actief in bijna tien landen in de regio. Deze activiteiten worden niet meer vanuit Nederland uitgevoerd, maar vanuit het veldkantoor in Bolivia. Kuiper noemt als onderliggende reden voor deze decentralisatie een tekort aan middelen. Bovendien is het idee dat lokale mensen beter en sneller kunnen inspelen op lokale ontwikkelingen en daarnaast zijn ze goedkoper.

Tegelijkertijd werken feitelijk alle grote organisaties tegenwoordig samen in vooral Europese netwerken. Dat maakt het beeld diffuser. Zo ondersteunt Oxfam Novib geen projecten meer in Latijns Amerika, maar Oxfam UK doet dat nog wel. Ook Artsen Zonder Grenzen (AZG) heeft zich al jaren geleden uit de regio teruggetrokken, maar Médecins du Monde, de internationale koepel waar AZG onder valt, is er nog steeds actief, met name op het gebied van seksuele gezondheidszorg. 

Complementair

Toch heerst bij velen het idee dat ‘alle’ donoren zich terugtrekken uit de regio. Het is bovendien niet eenvoudig om nieuwe donorcontacten aan te boren. Ook in Latijns Amerika zelf blijft fondswerving moeilijk, ondanks de toegenomen welvaart. Dus op welke Nederlandse organisatie kan mijn eerder genoemde vriendin Ana María een beroep doen? Een rondje langs een aantal websites toont aan dat er nog heel wat Nederlandse organisaties actief zijn in Peru en omgeving. Naast een veelheid aan kleinschalige initiatieven, vaak gericht op kinderen, zijn er ook nog heel wat grote spelers actief. De 25 allianties waarmee minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen in februari 2015 een Strategisch Partnerschap is aangegaan, bundelen ruim 70 verschillende organisaties. Ongeveer de helft daarvan steunt nog activiteiten in de Amerika’s. Daarnaast zijn er organisaties die niet (rechtstreeks) geld van het ministerie ontvangen of die elders fondsen werven. Wel lijkt het er op, in de woorden van Marc Broere in ViceVersaonline, dat de aid-and-trade-agenda van de minister ngo’s steeds meer ‘complementair’ aan het Nederlandse buitenlandbeleid maakt waarbij ‘aid’ de ‘trade’ zou moeten volgen.

Het ministerie zet bilateraal namelijk steeds meer in op ontwikkelingsactiviteiten die Nederlandse handelsbelangen kunnen ondersteunen en via subsidies worden ngo’s aangemoedigd dat beleid te volgen. Tegelijkertijd worden landen als Brazilië, Colombia en Mexico steeds actiever gepromoot als handelspartners. Nu valt daar nog wel wat op af te dingen (de waarde van de totale Nederlandse handel met België was in 2012 tien keer zo groot als die met Brazilië), maar de economische relatie met een aantal landen is duidelijk veranderd. Toch zouden bepaalde nieuwe vormen van technische assistentie juist vanuit Nederland nog erg welkom zijn en bovendien de enorme goodwill die Nederland heeft, kunnen versterken. Nederland heeft de technische kennis en de ‘aid’-ervaring, en dat kan weer profijtelijk zijn voor de ‘trade’-agenda.

Voorbehoedsmiddelen

In de eerste plaats is Nederland natuurlijk sterk in waterbeheer, terwijl de drinkwatervoorziening in de snel groeiende steden van het westelijk halfrond enorm onder druk staat (zie b.v. http://www.lachispa.eu/artikelen/rivieren-zoeken-in-sao-paulo/). Een ander voorbeeld is onafhankelijk toezicht op de overheid, waar in veel Latijns-Amerikaanse landen nauwelijks sprake van is. De Nederlandse Rekenkamer is partner van de unie van Engelstalige rekenkamers in Afrika en van een aantal rekenkamers in de Arabische wereld, maar contacten met Latijns Amerika zijn schaars. Zou assistentie aan de Irakese of Keniase rekenkamer werkelijk meer impact hebben dan samenwerking met de Colombiaanse Contraloría? Van een andere orde van grootte is het onderwerp seksuele voorlichting en gezinsplanning: in Nederland is het aantal tienermoeders opvallend laag, in Latijns Amerika opvallend hoog. Volgens onder meer de Wereldbank is er een direct verband tussen armoede en gebrek aan ontwikkelingsmogelijkheden enerzijds, en tienerzwangerschappen anderzijds. Die maken namelijk deel uit van een vicieuze cirkel van armoede en geweld tegen vrouwen die (in theorie) relatief eenvoudig om te buigen is door openheid, voorlichting en voorbehoedsmiddelen. De lijst kan moeiteloos uitgebreid worden naar milieubeheer, stedelijke planning, fietsgebruik – en wat te denken van de Nederlandse belastingdienst? In Nederland is het immers moeilijk je aan deze dienst te onttrekken, in veel Latijns-Amerikaanse landen niet - met grote gevolgen voor de staatsinkomsten.

De toekomst

Honderden grote en kleine initiatieven in het verleden hebben Nederland een goede reputatie bezorgd. Andere initiatieven kunnen daar op voortbouwen, waar zowel Latijns-Amerikaanse als Nederlandse organisaties en instellingen van kunnen profiteren. De politieke stabiliteit is in Latijns Amerika ook vaak groter dan elders. Daarnaast is gebleken dat druk vanuit Europa beschermend werkt voor bedreigde activisten en als rem op ongewenste ontwikkelingen, beter dan druk vanuit de Amerika’s zelf. Hernieuwde aandacht vanuit Nederland kan dus rechtstreeks ten goede komen aan de politieke stabiliteit en daarmee aan het investeringsklimaat in die landen, wat weer goed is voor Nederland. Er is een werelddeel te winnen!

 

Bron : www.viceversaonline.nl,/www.unesco.org./hdr.undp.org,/www.cepal.org,www.rijksoverheid.nl
Bookmark and Share

Bekijk ook


Terug