Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Nog steeds een continent van bisschoppen en militairen

Lezing Dirk Kruijt over politieke invloed van militairen in Latijns Amerika

Datum : 31/05/2017
Auteur : Jan de Kievid

Nog steeds een continent van bisschoppen en militairen

De strijdkrachten in Latijns Amerika zijn relatief klein en hebben meer opgetreden in binnenlandse conflicten dan in oorlogen met buurlanden. Ze hebben altijd belangrijke politieke invloed gehad, die verschillende vormen heeft aangenomen. Nu raakt bijvoorbeeld de regering van Venezuela steeds meer in een “militaire dwangbuis”. Ook na de laatste golf van militaire dictaturen genieten de militairen nog veel vertrouwen van de bevolking. Dit betoogde de in militairen en geweld gespecialiseerde socioloog Dirk Kruijt in een lezing in Amsterdam.

Latijns-Amerikaanse militairen wijken op belangrijke punten af van wat we in Europa gewend zijn. Zo begon Dirk Kruijt, emeritus hoogleraar Ontwikkelingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht, zijn lezing over de politieke invloed van militairen in Latijns Amerika op het CEDLA in Amsterdam op 19 mei. Kruijt bestudeert al jaren Latijns-Amerikaanse militairen en guerrillastrijders, waarbij hij hen ook uitgebreid interviewt over hun opvattingen en ervaringen.

Veel mensen denken door de opvallende politieke rol van militairen en een geschiedenis met talrijke militaire dictaturen dat Latijns-Amerikaanse landen over enorme strijdkrachten beschikken. Dat is echter niet het geval. In verhouding tot de bevolking zijn ze aanmerkelijk kleiner dan in Europa en zeker in de Verenigde Staten.  

Europa kent een lange geschiedenis van oorlogen tussen staten met in de twintigste eeuw kolossale legers en enorme aantallen militaire en burgerslachtoffers, maar in Latijns Amerika zijn zulke oorlogen vrij zeldzaam. Al vroeg in de koloniale periode waren de belangrijkste grenzen vastgelegd. Er zijn veel kleine grensconflicten geweest, maar zelden grote oorlogen. In de negentiende eeuw waren er drie: de oorlog tussen de Mexico en de Verenigde Staten waarbij Mexico de helft van haar grondgebied verloor (1846-1848), de oorlog van de Triple Alliantie (Argentinië, Brazilië en Uruguay) tegen Paraguay die dat laatste land een vijfde van z’n territorium en een tweedederde van z’n bevolking kostte (1864-1870) en de Pacifische Oorlog, waarbij Chili Bolivia de toegang tot de zee en Peru haar zuidelijke woestijngebied ontnam (1879-1883). In de twintigste eeuw vochten twee verliezers van negentiende-eeuwse oorlogen, Bolivia en Paraguay, een vreselijke oorlog om vermeende olievoorraden in de Chaco-woestijn (1932-1935).   

Instructeurs

Veel meer dan in conflicten met buurlanden traden Latijns-Amerikaanse militairen op in binnenlandse conflicten. Daarbij zijn ook veel meer slachtoffers gevallen, met als grote uitschieters de in 1910 begonnen Mexicaanse Revolutie en in de tweede helft van de twintigste eeuw de burgeroorlogen in Colombia en Guatemala en de strijd tegen Sendero Luminoso in Peru. Rond 1900 zijn de veelal slecht functionerende georganiseerde legers, die deels nog een soort privékarakter hadden, in veel landen getraind en gereorganiseerd door instructeurs uit Duitsland, Engeland en Frankrijk. Dat leidde tot een gedeeltelijke professionalisering: goed opgeleid en georganiseerd met een eigen beroepstrots om het vaderland te verdedigen, maar niet duidelijk ondergeschikt aan het civiel gezag. Vrijwel overeen beschouwden militairen het garanderen van de binnenlandse veiligheid tot hun kerntaken, waarbij zij vooral zelf bepaalden wanneer die veiligheid in het geding was. Een groot deel van de bevolking en de politici vond het terecht dat de militairen zich deze rol toe-eigenden en riep hen ook vaak op om dat te doen. Kruijt noemt dat ‘politieke legers’ die zich zelf vaak zien als bouwers van de natie.

Vooral na 1945 werken de militairen op enkele uitzonderingen na – Cuba na de revolutie, Nicaragua onder de sandinisten en het huidige Venezuela  – samen met de Verenigde Staten, vooral bij de counter insurgency tegen communisten en als gevaarlijk beschouwde linkse groepen. De grote broer uit het noorden intervenieerde tussen 1890 en 2009 niet minder dan 55 keer militair of anderszins in de interne aangelegenheden van Latijns-Amerikaanse landen.

Lange tijd kwamen veel presidenten uit de strijdkrachten. Dat kon verschillende vormen aannemen. Zo waren er de dictaturen ‘oude stijl’ met militaire presidenten die op de strijdkrachten steunden en soms familiedynastieën vormden of dat probeerden: de Somoza’s in Nicaragua, Trujillo in de Dominicaanse Republiek, Batista in Cuba, Stroessner in Paraguay en dictators in Guatemala en El Salvador gedurende grote delen van de twintigste eeuw. In al die landen hielden de militairen grote invloed. Anders was dat in Mexico, waar na de Mexicaanse revolutie generaal Lázaro Cárdenas als president (1934-1940) die invloed juist wist in te perken.

Groter dan Brazilië

De Koude Oorlog leidde tot een ander soort militair ingrijpen, de institutionele coup door landmacht, marine en luchtmacht samen, meestal gesteund door de Verenigde Staten. Doel hiervan was om vanuit de anticommunistische ideologie de ‘interne vijand’, ‘subversieven’ of ‘terroristen’ uit te schakelen. Er kwamen zulke Nationale Veiligheidsregimes in ruim tien landen, de eerste keer in Peru in 1962. De institutionele coup in 1964 in Brazilië was de belangrijkste, maar latere staatsgrepen in Chili (1973) en Argentinië (1976) kregen meer bekendheid door de ‘Vuile Oorlog’ met staatsterreur, massale martelingen, ‘verdwijningen’ en systematisch angst zaaien onder de bevolking.

Heel anders waren de ontwikkelingen in Cuba, waar een vrij kleine guerrillabeweging het gedemoraliseerde leger van dictator Batista versloeg. In twee jaar werd die guerrilla omgevormd tot een regulier leger van voor Latijns-Amerikaanse begrippen buitengewone omvang. Midden jaren zeventig waren de Cubaanse strijdkrachten zelfs groter dan die van Brazilië, terwijl Brazilië toen een militaire dictatuur was en twintig keer zoveel inwoners telde. Cuba had, na de Verenigde Staten, zelfs de grootste strijdkrachten van het westelijk halfrond. Cuba gaf militaire steun aan de linkse bewegingen in andere landen in Latijns Amerika en Afrika. Uit het recente onderzoek van Kruijt, als boek gepubliceerd als Cuba and Revolutionary Latin America. An Oral History, blijkt echter dat die steun in aantallen militairen in Latijns Amerika tamelijk gering was, behalve aan de guerrilla in Nicaragua. In elk geval veel kleiner dan vaak wordt gedacht.

‘Eenheid van volk en strijdkrachten’’

Kruijt merkte op dat zelfs hij, die al jarenlang Latijns-Amerikaanse militairen bestudeert en er  heel veel heeft geïnterviewd, geneigd is militairen met rechts te associëren. Dat komt ook doordat in de politiek ingrijpende linkse militairen in Europa nogal zeldzaam zijn geweest. Voor Latijns Amerika ligt dat anders. Een aanzienlijk deel van de officieren komt niet uit de oude oligarchische elite, maar uit de (lagere) middenklasse en voelt zich veel meer met het ‘volk’ en de ‘armen’ verbonden dan met de rijken en traditionele elites.

Al in de jaren twintig van de vorige eeuw waren er jonge, nog lagere officieren die vonden dat militairen een links hervormingsbeleid moesten steunen. Later kwamen in sommige landen hervormingsgezinde militairen aan de macht, zoals Omar Torrijos in Panama (1968-1981) en Juan Velasco in Peru (1968-1975). Kruijt heeft die links-militaire revolutie in Peru uitgebreid bestudeerd, onder andere door de hoofdrolspelers te interviewen (Revolution by Decree. Peru 1968-1975). Zulke militairen waren nationalistische reformisten die zich keerden tegen de oude elite van grootgrondbezitters en het imperialisme van de Verenigde Staten. Ze verkondigden de “eenheid van volk en strijdkrachten.”

‘Militaire dwangbuis’

Venezuela is hierbij een apart geval. Daar kwam Hugo Chávez in 1990 aan de macht via verkiezingen, maar deze militair (bewonderaar van Velasco en Torrijos) had eerder, in 1992, een mislukte poging tot staatsgreep gedaan. Toen Chávez eenmaal president was, waren – net als in Cuba, Peru en Panama – militairen actief betrokken bij de uitvoering van sociale hervormingen. Ze kregen ook betere voorzieningen, wat hun loyaliteit aan het regime versterkte. In de huidige diepe economische en politieke crisis met honger, onveiligheid en verzet raken militairen steeds meer betrokken bij het civiele bestuur, met ook belangrijke posities in de economie en bij instellingen als de douane. Een militair treedt op als een soort superminister. De regering van president Maduro wordt steeds afhankelijker van de militairen. Er is nu sprake van een civiele regering in een “militaire dwangbuis”.

Er zijn al een kwart eeuw geen militaire dictaturen meer en staatsgrepen zijn zeldzaam geworden. Maar in het lange termijnperspectief van vijfhonderd jaar vanaf de conquista is volgens Kruijt in de positie van militairen niets wezenlijks veranderd. Latijns Amerika is nog steeds een continent van bisschoppen en generaals, niet van presidenten, parlementen, rechtbanken en wetten. Uit enquêtes blijkt al jaren dat in bijna alle landen de bevolking het meeste vertrouwen heeft in de katholieke kerk en de strijdkrachten en veel minder in rechters, regering, parlement en politieke partijen. Soms is er een sterke nostalgie naar de militairen. Zo werd oud-dictator Efraín Ríos Montt in 2003 derde bij de presidentsverkiezingen in Guatemala, terwijl oud-dictator Hugo Banzer in 1997 in Bolivia zulke verkiezingen zelfs won. De meeste mensen vinden dat militairen zich mogen bezighouden met politiek. Dat is in Latijns Amerika veel vanzelfsprekender dan in West-Europa.

Referent Kees Koonings, die samen met Kruijt onder andere Political Armies. The Military and Nation Building in the Age of Democracy en Armed Actors. Organised Violence and State Failure in Latin America publiceerde, voegde daar aan toe, dat het nog maar zelden ingrijpen van militairen niet betekent dat ze werkelijk onder civiele controle staan. Dat ze bij bijvoorbeeld de huidige politieke crisis in Brazilië niet willen interveniëren, heeft eerder te maken met zelfbeheersing en eigen inschattingen van de situatie. Een deel van de bevolking vindt juist dat ze wel moeten optreden.  

* Veel onderwerpen uit de CEDLA-lezing bespreekt Kruijt ook in zijn lezing Continuities and Transformations of the Latin American Military, oktober 2016, Rio de Janeiro. Deze lezing is hier te zien.

Bookmark and Share


Terug