Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Ongelijkheid in Latijns Amerika niet afgenomen

World Inequality Report stelt grotere inkomensongelijkheid vast

Datum : 10/05/2018
Auteur : Jan de Kievid

Ongelijkheid in Latijns Amerika niet afgenomen

De inkomensongelijkheid is wereldwijd groter dan werd gedacht. En het optimistische beeld dat in Latijns Amerika die ongelijkheid in deze eeuw afnam, moet worden bijgesteld. Ook de bejubelde uitkeringen voor de armsten in Brazilië hebben niet tot minder ongelijkheid geleid. Dat blijkt uit onderzoek van een team van de beroemde Franse econoom Thomas Piketty. Maar er valt wel iets tegen die ongelijkheid te doen, al is dat moeilijk.

In een wereld met toenemende inkomensongelijkheid leek het bijna een wonder. Als enige continent daalde in Latijns Amerika vanaf het begin van de 21e eeuw die ongelijkheid. Het bleef de regio met de meest scheve inkomensverdeling, maar het ging de goede kant op. Dat was het resultaat van economische groei door hoge grondstoffenprijzen én gericht overheidsbeleid met uitkeringen voor de armste groepen. Vooral Brazilië kreeg lof toegezwaaid. Fantastisch dat zo’n groot land met structureel ingebakken extreme ongelijkheid erin slaagde economische groei te combineren met enige inkomensnivellering. Ook het Panorama Social de América Latina 2017 van CEPAL, de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Latijns Amerika, meldt – net als afgelopen jaren - deze verworvenheid, met de kanttekening dat bij de economische tegenwind na 2014 nauwelijks verder vooruitgang is geboekt.

Losse schroeven

Het pas verschenen World Inequality Report 2018 zet deze voorstelling op losse schroeven. Een internationaal samenwerkende groep onderzoekers onder leiding van de door zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw beroemd geworden Franse econoom Thomas Piketty heeft de ongelijkheid met meerdere en waarschijnlijk betrouwbaardere bronnen onderzocht. Enkele conclusies: de ongelijkheid is wereldwijd veel groter dan tot dusverre werd aangenomen en zal, als landen hun huidige beleid voortzetten, nog verder toenemen. Van de inkomensgroei sinds 1980 heeft de 0,1 procent mensen met de hoogste inkomens evenveel gekregen als de 50 procent armsten van de wereldbevolking. En in Brazilië is de ongelijkheid weliswaar niet groter geworden, maar ook niet afgenomen.

Al eerder was geconstateerd dat - na een afname in de westerse wereld van ongeveer 1920 tot 1970/80 – in grote delen van de wereld de ongelijkheid afgelopen decennia was toegenomen. Dat gebeurde vooral in de Verenigde Staten, enkele andere Angelsaksische landen en in landen die recent zijn overgegaan van een nogal gereguleerde en gesloten naar een opener markteconomie. In de VS/Canada steeg het inkomensaandeel van de top 10 procent tussen 1980 en 2016 van 34 naar 47 procent van het totale inkomen en in China van 27 naar 41 procent. In Rusland (van 21 naar 46) en India (van 32 naar 55) ging het nog sneller. In het meest egalitaire continent, Europa, steeg het licht: van 34 naar 37 procent.

Over heel Latijns Amerika heeft het rapport geen cijfers. Ook In Piketty’s beroemde boek was weinig te vinden over Latijns Amerika, maar in dit nieuwe rapport krijgt Brazilië, het grootste en een van de ongelijkste landen van het continent, wel veel aandacht. In Brazilië (met 55 procent voor de top tien), Afrika beneden de Sahara (54 procent) en het Midden-Oosten (61 procent) is weinig veranderd. Dat waren al de meest ongelijke regio’s. Nieuw is wel dat volgens deze gegevens niet meer Latijns Amerika, zoals jarenlang werd aangenomen, maar het Midden-Oosten de meest ongelijke regio ter wereld is.

Wiskundige formule

De onderzoekers hebben ook het nationaal inkomen bekeken, en dat niet alleen omgerekend in inkomen per hoofd, maar ook per volwassene. In de periode 1980-2016 blijkt dat laatste in Latijns Amerika (12 procent), Afrika (18 procent) en Rusland (4 procent) maar heel weinig gestegen, terwijl voor Azië 152 procent werd geregistreerd, en daarbinnen voor China zelfs 831 procent. In 1950 was het gemiddelde reële koopkracht-inkomen van Latijns Amerika ruim negen keer dat van China, nu is het vrijwel gelijk. Het inkomen van de gemiddelde Latijns-Amerikaan is in die periode gedaald van 141 naar 92 procent van het wereldgemiddelde.

Wat is er nu nieuw aan de gegevens en berekeningen van Piketty en de zijnen? Ze werken niet met de bekende Gini-index, waarmee in een cijfer tussen 0 (volledige gelijkheid, iedereen evenveel) en 1 (volledige ongelijkheid, een persoon krijgt alles) de inkomensverdeling wordt weergegeven. Dat cijfer komt tot stand via een ingewikkelde wiskundige formule en geeft snel een globaal beeld. Maar een helder zicht op de inkomensverdeling en veranderingen krijg je niet. Als de mensen met de hoogste en de laagste inkomens er allebei op vooruit gaan (of allebei achteruit) blijft de index hetzelfde, terwijl in het eerste geval de tussenliggende groepen achteruit zijn gegaan en in het tweede geval juist vooruit. Daarom laten de onderzoekers liever zien hoeveel zogenaamde decielen (de top 10 procent met de hoogste inkomens en dan nog negen van zulke groepen) ontvangen. Bij de top wordt dat vaak verder uitgesplitst in 1 procent, 0,1 procent en 0,01 procent. Hoe kleiner dit percentage, hoe meer nullen bij de inkomens.

Grootschalige belastingontduiking

Naast de kwestie van de Gini-index is er een probleem met de bronnen en hun betrouwbaarheid. Meestal worden inkomensgegevens verzameld via enquêtes/interviews over inkomens per huishouden. Dan wordt geregistreerd wat mensen zelf zeggen, met alle vertekeningen van dien. In een steekproef van duizend gezinnen zitten gemiddeld maar tien huishoudens van de rijkste 1 procent en maar 1 van de rijkste 0,1 procent. Bovendien blijken vooral de rijken niet mee te werken aan deze enquêtes. Als ze dat wel doen, geven ze vaak veel te lage inkomsten op.

Daarom proberen Piketty en zijn onderzoekers ook met belastinggegevens te werken. Ook dat levert complicaties op met onvolledige gegevens. Zo komen de armen niet in de belastingadministratie terecht; ze betalen alleen indirecte belasting over wat ze kopen. Belastingstelsels verschillen sterk tussen landen en er is grootschalige belastingontduiking. Toch levert dit onderzoek al resultaten op. Volgens de enquêtes krijgen de 1 procent rijksten van Brazilië 11 procent van het totale inkomen, volgens belastinggegevens ruim twee keer zoveel: 24 procent. Voor Mexico is het verschil nog groter, maar voor wat beter georganiseerde en minder corrupte landen als Chili en Uruguay wat kleiner. Deze cijfers komen overigens uit het rapport van CEPAL, waar men zich zeer bewust is van de problemen met de enquêtegegevens. Het team van Piketty kijkt ook in welke mate gegevens over het nationaal inkomen overeenkomen met het totaal van de opgegeven inkomens.

Uitkeringen

Door al die gegevens af te wegen, proberen de onderzoekers min of meer betrouwbare schattingen te maken van de werkelijke inkomensverdeling. Terwijl in het CEPAL-rapport op grond van enquêtes in Brazilië de top 10 procent 35 procent van het inkomen krijgt, is dat op basis van de gecombineerde gegevens veel hoger: 55 procent. De onderste helft kreeg 12 procent en de middelste 40 procent ongeveer 32 procent. Deze verdeling is de afgelopen vijftien jaar nauwelijks veranderd. Op basis van enquêtes was eerder geconcludeerd dat de nieuwe uitkeringen voor de armsten – op voorwaarde dat hun kinderen naar school gingen – en verhoging van het minimumloon tot een verkleining van de verschillen hadden geleid, een opmerkelijk beleidsresultaat.

Uit de nieuwe gegevens blijkt dat de inkomensverdeling bij inkomens uit arbeid wel iets minder scheef is geworden. Maar de inkomens uit eigendom vermogen zijn juist toegenomen, en daarvan profiteren juist de (aller)rijkste groepen. De top 1 procent krijgt 14 procent van het nationale arbeidsinkomen, maar het dubbele (28 procent) van het totale inkomen. De lichte verhoging van de inkomens van de armsten is tenietgedaan door de forse inkomensstijging van de rijksten.

Rijke landen, arme overheden

De onderzoekers besteden ook aandacht aan de zeer ongelijke verdeling van vermogens: kapitaal, grond, fabrieken enzovoort. De afgelopen decennia zijn vrijwel overal de particuliere vermogens gegroeid ten koste van publieke vermogens. Landen zijn rijker geworden, maar overheden armer. Dat beperkt regeringen in hun mogelijkheden om de ongelijkheid aan te pakken.  Dat is weer een beetje een domper op een belangrijke conclusie van het rapport: Toename van inkomensverschillen is niet onvermijdelijk is, politiek handelen kan daaraan iets veranderen. Dat de mate van ongelijkheid tussen landen en regio’s sterk uiteenloopt, heeft te maken met de verschillen in nationale institutionele en politieke contexten en het gevoerde beleid. Rond 1980 waren de verschillen tussen de VS en Europa nog vrij klein. Dat die sindsdien zijn gegroeid, komt vooral door het uiteenlopende beleid.

In het rapport worden aanbevelingen gedaan: progressievere belasting op inkomens en vermogens, openbaarheid van vermogens, gelijkere onderwijskansen met daarbij aansluitende banen. Zulk beleid vereist een krachtige staat die over voldoende middelen beschikt. Het niet afnemen van de ongelijkheid in Brazilië maakt duidelijk dat alleen het verbeteren van de positie van de armen met uitkeringen (dat kost slechts 0,25 procent van het BNP) en wat hogere lonen onvoldoende is. Ook de rijkste groepen zullen aangepakt moeten worden. Daartoe is politieke wil nodig en een krachtige, weinig corrupte staat om zo’n beleid uit te voeren. Beide voorwaarden lijken op dit moment in Brazilië en in veel andere landen afwezig.

Het rapport besteedt geen aandacht aan de klassieke manier om de armen een hoger percentage van hun inkomen aan belasting te laten betalen dan rijken: de dominantie van de indirecte belasting over de directe. Een arme en een rijke betalen allebei hetzelfde bedrag aan belasting over een brood, terwijl de arme een zeer groot deel van z’n inkomen aan noodzakelijk voedsel moet besteden (en daar dus belasting over betaalt) en de rijke maar een heel klein deel. Dat is in Latijns Amerika en grote delen van de wereld het geval. Een forse verschuiving in de richting van de directe belasting – die dan ook progressief en moeilijk te ontduiken moet zijn – is ook een noodzakelijke stap.

Dit artikel maakt deel uit van de special Trends en ontwikkelingen in Latijns Amerika

Bookmark and Share


Terug