Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Politiek gerommel in Latijns Amerika

Van links naar rechts

Datum : 28/05/2018
Auteur : Jan de Kievid

Politiek gerommel in Latijns Amerika

Aan de unieke golf van gekozen linkse regeringen is de afgelopen drie jaar een einde gekomen. Dat heeft minder dan werd verwacht te maken met economische oorzaken, maar eerder met politieke factoren. Op Venezuela na hebben die linkse regeringen geen vreselijke puinhopen nagelaten, maar meestal enige verbetering gebracht. De niet-gekozen rechtse regering in Brazilië zit verre van vast in het zadel. Het kan politiek de komende tijd alle kanten opgaan.

In 2009 woonde bijna twee derde van de Latijns-Amerikanen in een land met min of meer linkse presidenten die via vrije tot behoorlijk vrije verkiezingen waren gekozen. Die ‘linkse golf’ was tien jaar eerder begonnen na de verkiezing van Hugo Chávez in Venezuela. De helft van de 22 grootste landen had begin 21e eeuw kortere of langere tijd een linkse president. Dat was niet alleen volstrekt uniek voor Latijns Amerika waar zulke regeringen nogal zeldzaam waren geweest, maar ook andere continenten hadden nooit tegelijk zoveel linkse regeringen gekend.   

Deze regeringen hadden met elkaar gemeen dat ze het neoliberale kapitalisme wat aan banden wilden leggen en de grote sociale ongelijkheid wilden verminderen. Toch waren en zijn er grote verschillen tussen deze linkse regeringen. In een aantal landen met een economische en/of politieke crisis en een ingestort partijstelsel wonnen deze partijen als buitenstaanders de verkiezingen, waarna ze de grondwet veranderden. In deze landen gaven vaak radicaal en populistisch genoemde regeringen de staat meer invloed in de economie, terwijl de presidenten hun eigen positie versterkten door meerdere herverkiezingen mogelijk te maken. Ook perkten ze de ruimte van oppositie en media in. Dat geldt vooral voor Venezuela en Nicaragua (waar wel een politieke insider president werd) en in mindere mate voor Bolivia en Ecuador.

Bewegingsvrijheid

In economisch en politiek stabielere landen als Brazilië, Chili, Uruguay en El Salvador, met behalve in Chili ook voormalig guerrillastrijders als presidenten, gingen regeringen sociaaleconomisch voorzichtiger te werk. Ook toonden ze meer respect voor de liberaal-democratische instituties. Argentinië is een soort tussengeval tussen de eerste en tweede groep landen, terwijl in Paraguay, Guatemala en Peru een enigszins links beleid nauwelijks van de grond kwam. Soms vormden in de landen met linkse presidenten een of meer linkse partijen de regering, soms hadden de presidenten als leiders van centrumlinkse coalities minder bewegingsvrijheid.

Dit artikel is een voorlopige globale balans van deze regeringen en de recente veranderingen. Daarbij kijken we niet naar landen zonder linkse regeringen, zoals Colombia en Mexico, en ook niet naar het al decennia bestaande dictatoriale links op Cuba.  

Gekelderd

Toen Chili begin 2010 – na twee sociaaldemocratische presidenten – met miljardair Sebastián Piñera een rechtse president koos, dachten veel mensen dat de ‘linkse golf’ ten einde liep. Linkse regeringen hadden het tij meegehad door hoge grondstoffenprijzen. Het einde daarvan werd verwacht, en dat zou een ruk naar rechts opleveren. Maar zover was het nog niet. Er zouden nog veel linkse verkiezingsoverwinningen volgen (zie schema aan eind van dit artikel).

Inmiddels zijn de grondstoffenprijzen gekelderd: tussen 2011 en 2016 voor mineralen en metalen met 45 procent en voor ruwe olie met ruim 60 procent. Daardoor en door de terugval van de reus Brazilië kende Zuid-Amerika in 2016 een economische teruggang van bijna 3 procent. Terwijl Venezuela wegzakte in diepe economische en sociale crisis en dictatuur, kwamen in 2015, 2016 en 2018 in beeldbepalende landen als Argentinië, Brazilië en Chili weer rechtse presidenten; na drie vrouwen weer allemaal mannen. Dat betekende na bijna vijftien jaar het einde van de linkse golf als dominante politieke ontwikkeling in Latijns Amerika.

Protest

Achteraf kon vrij gemakkelijk worden verklaard waarom begin 21e eeuw zoveel linkse kandidaten de verkiezingen wonnen. Veel kiezers protesteerden tegen het neoliberale beleid dat soms wel tot enige economische groei, maar meestal ook tot meer armoede en grotere ongelijkheid had geleid. En omdat voor het eerst in de geschiedenis bijna alle landen tegelijk min of meer democratisch waren, konden de kiezers op linkse kandidaten stemmen én moesten rechtse verliezers hun nederlaag ook accepteren.  

Het gedeeltelijk verdwijnen van linkse regeringen is nog heel recent en mede daardoor minder eenduidig te verklaren. Zo is er meestal geen duidelijk verband met economische teruggang. En zes landen hebben nog steeds een linkse president: Venezuela, Nicaragua, Bolivia, Ecuador, El Salvador en Uruguay. Venezuela en daarna Nicaragua zijn stevig afgegleden in dictatoriale richting. Daar is van enigszins vrije of eerlijke verkiezingen geen sprake. Als in Venezuela op 20 mei 2018 echt vrije verkiezingen waren gehouden, was president Maduro vrijwel zeker weggestemd. Eind 2015 stemde bij de parlementsverkiezingen twee derde van de kiezers voor de oppositie, maar de regering – gesteund door de rechterlijke macht – zette vervolgens het parlement buitenspel. Met meer vrijheid was het ook in Bolivia en Ecuador moeilijk om als oppositie te winnen. Dat geldt echter niet voor El Salvador en Uruguay, waar in vrije verkiezingen al tweemaal en driemaal op rij linkse presidenten zijn gekozen. Dan kan opnieuw gebeuren.   

Wraak

In vier landen is links door verkiezingen het presidentschap kwijtgeraakt. Twee daarvan horen niet helemaal in rijtje thuis omdat de Peruaanse president Ollanta Humala al snel een rechtse koers ging varen en in Guatemala Alvaro Colom een te zwakke maatschappelijke en politieke positie had voor een links beleid. In deze landen met instabiele partijstelsels stelden hun partijen door allerlei ruzies bij de volgende verkiezingen geen kandidaten. In Argentinië eind 2015 en in Chili begin 2018 wonnen de rechtse kandidaten – Mauricio Macri en net als in 2010 Sebastián Piñera – in democratisch verlopen verkiezingen. Er was geen economische crisis, het partijstelsel was niet ingestort en de vertrekkende presidenten hadden geen puinhopen achtergelaten. Daarom werd links niet weggevaagd, maar was een spannende tweede ronde tussen de meer linkse en de rechtse kandidaat nodig. Macri won nipt met 51,3 procent en Piñera iets ruimer met 54,6 procent. Maar als de Argentijnse linkse kandidaat Scioli beter campagne had gevoerd en de Chileense linkse- en centrumpartijen de centrumlinkse kandidaat in de tweede ronde eensgezinder en overtuigender hadden gesteund, hadden de rechtse kandidaten verloren.

Twee keer kregen de burgers niets te zeggen over het lot van linkse presidenten. In Paraguay werd Fernando Lugo in 2012 door het parlement afgezet en in 2016 trof Dilma Rousseff in Brazilië hetzelfde lot. In beide gevallen waren het hoogst dubieuze procedures. De aanklachten tegen de presidenten zouden bij een minder partijdige behandeling niet tot afzetting hebben geleid. Gevestigde belangen, die een beetje hadden moeten inschikken, zagen hun kans schoon om wraak te nemen op de door hen gehate linkse presidenten. Extra wrang was dat Rousseff werd weggestuurd door parlementariërs die voor een groot deel zelf zijn aangeklaagd voor corruptie. Dat geldt ook voor Michel Temer, de vicepresident die haar opvolgde. In Brazilië ging het, na een aantal goede jaren, in 2015 en 2016 economisch uitgesproken slecht, en dat speelde bij het afzetten van Rousseff ook een rol. Maar alleen hier was economische teruggang een belangrijke factor bij het einde van een linkse regering.

De straat op

Opmerkelijk is dat geen van de linkse presidenten is weggejaagd door de bevolking. Dat overkwam in 2001 wel de Argentijnse president De La Rua, in 2003 de Boliviaanse Sánchez de Lozada en in 2005 de Ecuadoraanse Gutiérrez. In Venezuela eisten boze mensenmassa’s het vertrek van Maduro, maar was de repressie te sterk. Veel Brazilianen gingen de straat op tegen Rousseff, maar ook haar medestanders deden dat. Ook haar voorganger Lula heeft nog steeds een grote aanhang. Hij zou waarschijnlijk bij de presidentsverkiezingen van oktober 2018 als de beste kandidaat uit de bus komen, als hij niet wegens corruptie onlangs tot twaalf jaar gevangenschap was veroordeeld.

Tegen drie voormalige linkse presidenten lopen processen wegens corruptie. De Peruaanse Humala en zijn echtgenote zaten negen maanden in voorarrest, maar kunnen nu hun proces in vrijheid afwachten. De Argentijnse Cristina Kirchner wordt bij de talloze aanklachten nog beschermd door haar parlementaire immuniteit als senator, maar die kan worden opgeheven. Lula mag een hoger beroep niet in vrijheid afwachten. Het is vrijwel uitgesloten dat hij dit jaar aan de verkiezingen mag meedoen.

Fiasco 

Van de linkse regeringen is die van Hugo Chávez en zijn opvolger Nicolás Maduro op een vreselijk fiasco uitgelopen: armoede, honger, gierende inflatie, extreme onveiligheid, dictatuur van partij en militairen, politieke en economische vluchtelingen. Van de uitstraling en inspiratie die het Venezolaans ‘socialisme van de 21e eeuw’ - en eerder het Cubaanse socialisme - in andere landen had, is niets overgebleven.

De andere linkse regeringen hebben, ieder op hun eigen manier, onder gunstige economische omstandigheden vooral de sociale omstandigheden verbeterd. Deels door minder werkloosheid, deels door vaak nieuwe sociale voorzieningen voor de armste groepen, vooral betaald uit de hoge exportprijzen voor grondstoffen. Tussen 2002 en 2014 daalde het percentage armen in Latijns Amerika van 46 naar 28,5 procent. Daarna steeg het in economisch moeilijker tijden weer tot 30,7 procent. Die stijging komt vrijwel geheel door Brazilië (dat met een derde van alle inwoners sterk op het gemiddelde drukt) en door Venezuela, waar de armoede extreem is toegenomen. In de andere landen is de armoede ook de laatste jaren meestal iets verminderd. Terwijl op alle andere continenten de inkomensongelijkheid in de 21e eeuw groter werd, leek in Latijns Amerika het omgekeerde te gebeuren. Dat blijkt op basis van nieuwe berekeningen toch niet het geval. Maar de kloof werd ook niet groter en dat is in een steeds ongelijkere wereld al een prestatie, waaraan de linkse regeringen zeker hebben bijgedragen. 

Conflicten

Die regeringen hebben echter weinig vooruitgang geboekt met de diversificatie van de economie. Latijns Amerika is sterk afhankelijk gebleven van de export van grondstoffen en dus van de enorme schommelingen van de grondstoffenprijzen. Ook linkse regeringen kozen in conflicten tussen het delven van grondstoffen voor de export en bescherming van het natuurlijk milieu en de rechten van (inheemse) bewoners meestal voor de grondstoffeninkomsten. Maar niet zo sterk als rechtse regeringen in Latijns Amerika dat gewoonlijk doen. De positie van de inheemse bevolking is behoorlijk verbeterd in Bolivia, maar kreeg in andere landen minder aandacht. Soms kregen rechten van vrouwen prioriteit, maar vaak was dat ook niet het geval. In de strijd tegen geweld en onveiligheid hebben linkse regeringen, net als rechtse, weinig bereikt. 

IMF terug

Drie jaar geleden woonde nog ruim de helft van alle Latijns-Amerikanen in een land met een meer of minder linkse regering. Nu is dat, ook als we Venezuela en Nicaragua met hun dictatoriale karakter meetellen, nog maar een achtste deel. Wat die verandering betekent kunnen we het beste zien in Argentinië, Brazilië en Chili, waar respectievelijk sinds 2015, 2016 en sinds twee maanden rechtse presidenten aan het bewind zijn.

De Argentijn Mauricio Macri wil, na twaalf jaar links-populistisch beleid van eerst Néstor en daarna Cristina Kirchner, zijn land zo snel mogelijk ‘normaal’, marktgeoriënteerd en naar buiten gericht maken. Dat bezorgt hem in internationale kapitalistische en politieke kringen veel lof. In zijn eigen land wordt regelmatig geprotesteerd tegen zijn beleid, maar tot voor kort oordeelde rond de 60 procent van de bevolking positief over hem, opvallend hoog voor een Latijns-Amerikaanse president. Ook parlementariërs van de peronistische oppositie van Cristina Kirchner steunen af en toe zijn voorstellen. Terwijl Macri herhaaldelijk verklaarde dat “Argentinië ons niet opnieuw negatief zal verrassen”, raakte hij begin mei 2018 de regie kwijt. Hij kreeg de inflatie en de kapitaalvlucht niet onder controle. De Argentijnse peso verloor een kwart van de waarde ten opzichte van de dollar. Macri moest snel aankloppen voor een lening bij het IMF (Internationaal Monetair Fonds) om de zaak te redden. En juist dat IMF heeft volgens veel Argentijnen hun land herhaaldelijk veel ellende gebracht en zich daarom zeer gehaat gemaakt. Macri’s populariteit kelderde van 60 naar 38 procent, het laagste sinds zijn aantreden als president.

Dat is voor Macri een klap, maar zijn Braziliaanse collega Michel Temer kan van 38 procent alleen maar dromen. Hij geniet extreem weinig vertrouwen met zijn alleen uit rijke blanke – vaak van corruptie beschuldigde – mannen bestaande regering. Sinds zijn aantreden in mei 2016 na het afzetten van president Rousseff schommelt zijn populariteit tussen de 3 en 6 procent. Temer bevoordeelt grote particuliere bedrijven, waarbij ecologische overwegingen helemaal niet tellen. Tegen hem lopen zoveel aanklachten wegens corruptie, dat hij vooral bezig is te zorgen dat hij uit handen van justitie blijft. Ondertussen heeft hij militairen bevoegdheden gegeven om de ‘veiligheid’ te garanderen in de favelas van Rio de Janeiro. In de chaotische situatie in Brazilië laten generaals weten dat ze zullen ingrijpen als ze dat nodig vinden. Zulke geluiden waren sinds het einde van de dictatuur in 1985 nauwelijks meer gehoord.

Vrienden

In Chili is Sebastián Piñera pas twee maanden in functie, en zo’n politieke of economische verwarring als in Brazilië en in mindere mate Argentinië heerst daar niet. Piñera heeft in geen van beide kamers van het parlement een meerderheid en zal dus compromissen moeten sluiten. Maar hij wil wel een deel van de voorzichtige hervormingen van zijn voorganger Michelle Bachelet terugdraaien. Piñera stelt een verlaging van 25 procent voor van de belasting voor ondernemers, die onder Bachelet net een beetje was verhoogd, maar nog steeds onder het gemiddelde van de OESO, de club van rijke landen waarvan Chili als enige Zuid-Amerikaanse land lid is. Per decreet maakte de nieuwe president het voor medisch personeel makkelijker om niet mee te werken aan abortus in bijzondere omstandigheden, wat door Bachelet na zware politieke strijd door het parlement was geloodst. Met een verscherpte antiterrorismewet zal het makkelijker worden verzet van de inheemse bevolking te stigmatiseren en criminaliseren. Piñera en Macri, beide rijke zakenlieden, zijn goede vrienden. Niet toevallig ging Piñera’s eerste buitenlandse reis als president naar Buenos Aires. Maar hij overspeelde zijn hand toen hij zijn eigen broer tot ambassadeur in Argentinië benoemde. Dat moest hij na veel protesten – ook uit eigen kring – intrekken.

Het rommelt flink in Latijns Amerika en de grote linkse golf is grotendeels voorbij. De nieuwe rechtse regeringen hebben de teugels echter nog niet vast in handen. Er zijn nog linkse regeringen, en misschien kiezen de Mexicanen op 1 juli de linkse kandidaat Andrés Manuel López Obrador tot president. De positie van rechtse president in Brazilië is erg zwak, maar links heeft daar geen goede kandidaat om Lula te vervangen. Het kan in veel landen nog alle kanten opgaan.   

Presidenten van de linkse golf vanaf 1999

Land

Eerste keer

Pct stemmen,

1e of 2e ronde

President

Herverkiezing (1e of 2e ronde)

Venezuela

1999

56 (1e)

Hugo Chávez

2000 Hugo Chávez, 60% (1e),

2006 Idem, 63% (1e),

2012 Idem, 53% (1e)

2013 Nicolás Maduro, 50,6% (1e)

2018 Idem, 68% (1e, oppositie boycot verkiezingen)

Chili

2000

51 (2e)

Ricardo Lagos

2006 Michelle Bachelet, 53% (2e), 2010 opgevolgd door rechtse Piñera, 52% (2e)

2014 Michelle Bachelet, 69% (2e)

2018 opgevolgd door Piñera, 55% (2e)

Brazilië

2003

61 (2e)

Lula da Silva

2007 Lula, 61% (2e),

2011 Dilma Rousseff, 56% (2e)

2015 Rousseff, 51,6% (2e)

2016 afgezet door parlement, opgevolgd door rechtse vicepresident Michel Temer

Argentinië

2003

22 (1e)**

Néstor Kirchner

2007 Cristina Fernández de Kirchner, 45%* (1e),

2011 Idem, 54% (1e)

2015 opgevolgd door rechtse Macri, 51,3% (2e)

Uruguay

2005

52 (1e)

Tabaré Vázquez

2010 José Mujica, 53% (2e)

2015 Tabaré Vázquez, 57% (2e)

Bolivia

2006

54 (1e)

Evo Morales

2010 Evo Morales, 65% (1e)

2014 Morales, 61% (1e)

Nicaragua

2007

38 (1e)*

Daniel Ortega

2011 Daniel Ortega, 62 (1e)

2016 Ortega, 70% (1e)

 

Ecuador

2007

57 (2e)

Rafael Correa

2009 Rafael Correa, 52 (1e)

2013 Correa, 57% (1e)

2017 Lenin Moreno, 51,2% (2e)

Paraguay

2008

42 (1e)*

Fernando Lugo

2012 afgezet door senaat, opgevolgd rechtsgeoriënteerde vicepresident Federico Franco

Guatemala

2008

53 (2e)

Alvaro Colom

2012 opgevolgd door rechtse Pérez, 54% (2e), geen linkse kandidaat

El Salvador

2009

51 (1e)

Mauricio Funes

2014 Salvador Sánchez Cerén, 50,1% (2e)

Peru

2011

51 (2e)

Ollanta Humala

2016, opgevolgd door rechts georiënteerde Pablo Kuczynski, 50,1% (2e), geen linkse kandidaat

Jaartallen van het aantreden van de president (verkiezingen soms in het vorige jaar).

* In sommige landen wint een kandidaat in eerste ronde bij minder dan 50 procent van de stemmen (maar wel minimaal 35, 40 of 45) als het verschil met nummer twee minimaal 5 of 10 procent is.

** Kirchner werd tweede in de eerste ronde, vlak achter ex-president Carlos Menem. Die trok zich terug, waarna Kirchner automatisch president werd.

 

Deze bijdrage is een onderdeel van de Special ‘Trends en verschuivingen in Latijns Amerika’

Bookmark and Share

Bekijk ook


Terug