Zuid-Amerika Midden-Amerika Cariben

La Chispa is dé website voor liefhebbers van Latijns Amerika. Journalistiek, betrokken, informatief, scherp. Een interactieve community met echte chispa: levendig en met passie.

Politiek & Maatschappij

Van Yams en Enhlet

Mennonieten in de Paraguayaanse Chaco

Datum : 01/05/2017
Auteur : Frank Bron
Land : Paraguay

Van Yams en Enhlet

In mijn boekenkast staat een bijzonder boekje, uitgegeven door de wereldwinkel in het Noord-Duitse dorpje Preetz. Het beschrijft de laatste fase van een geschiedenis die begon in het Friese Witmarsum en, via onder meer Oekraïne en de Verenigde Staten, eindigde in Noord-Paraguay. Auteur is de Paraguayaan van Russische komaf, Abram Löwen, en het heet Frau Braun, die Lange, die übrigblieb. Het is het persoonlijke relaas van Löwen’s betrokkenheid bij een indianenvolk, de Enhlet.

Toen Menno Simons, katholiek priester in Witmarsum, in 1535 zag hoe een anabaptist werd onthoofd vanwege van zijn geloof, was hij zo verontwaardigd dat hij uiteindelijk uit de rooms-katholieke kerk stapte en toetrad tot de geloofsgemeenschap van deze ‘wederdopers’. Zij stonden begin zestiende eeuw bekend als radicale christenen die zich opnieuw, en als volwassene bewust van hun geloof, wilden laten dopen; iedereen was toen als kind immers al katholiek gedoopt. Geïnspireerd door de hervormers Luther en Zwingli zwoer Simons alle geweld af en vormde hij de wederdopers tot een internationale, pacifistische beweging. Deze ‘Mennonieten’ woonden vooral in Duitstalige landen en in Nederland, waar ze Doopsgezinden werden genoemd. Ze werden zwaar vervolgd vanwege hun ‘ketterse’ ideeën en hun weigering wereldse vorsten te volgen. Daarom migreerden velen in de zestiende eeuw naar afgelegen gebieden in Oost-Europa, vooral in het huidige Polen waar ze bepaalde vrijheden kregen in ruil voor het droogleggen van moerassen. 

Geen dienstplicht

In 1763 nodigde tsarina Catharina de Grote West-Europeanen uit om zich in pas veroverd gebied in het huidige Oekraïne te vestigen. De Mennonieten werden gepaaid met godsdienstvrijheid en vrijstelling van dienstplicht. Ze werden bekend als Ruslandduitsers. Eind negentiende trok Rusland hun religieuze vrijheden echter in, waardoor een aantal van hen naar Amerika emigreerde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de laatsten van deze ‘Duitsers’ van de Oekraïne naar Siberië gedeporteerd. Een deel van hen wist via Amerikaanse connecties na de oorlog naar Noord-Amerika te emigreren, maar ook naar Paraguay waar al enkele kleine Mennonietennederzettingen waren. Nog steeds spreken velen van hen, van Canada via Paraguay tot Kazachstan, een soort zeventiende-eeuws Duits. En nog altijd prefereren zij een teruggetrokken te leven, met alleen noodzakelijke contacten met anderen.

In 1921 onderzocht een Mennonietenexpeditie uit Canada de mogelijkheden om in de Paraguayaanse Chaco een nederzetting te stichten, ver weg van vervolging, verleiding en overheidsbemoeienis. De Paraguayaanse regering had wel belangstelling voor het bevolken van het droge, dunbevolkte noordwesten van het land, vooral nadat het tijdens de Chaco-oorlog (1932 – 1935) een extra stuk van de grote Zuid-Amerikaanse steppe, de Chaco, op Bolivia veroverd had. Zij stelde graag land in de Chaco ter beschikking aan Europeanen, ook al waren die niet katholiek en wilden ze niet in militaire dienst. Het was niet toevallig zo dunbevolkt. De levensomstandigheden waren extreem zwaar in dit hete, vlakke en droge gebied zonder oppervlaktewater, maar wel met regelmatige overstromingen.

‘Vreedzaam’

In de inleiding tot Löwen’s boekje legt de Duitse theoloog en Mennoniet Heinrich Derksen uit dat door de onvruchtbaarheid van het gebied tussen Andes en Paraguay-rivier de Chaco nooit door Spaanse conquistadores was gekoloniseerd. Pas toen de Mennonieten zich vanaf 1927 daar vestigden, bereikte een nieuw soort conquista de daar in kleine aantallen wonende inheemse bevolking, de Enhlet, ook bekend als Enhlit, Enlhet of Lengua.

De Mennonieten zochten een plek om hun eigen leven te kunnen leiden. ‘Vreedzaam’, schrijft Derksen, werden de Enhlet van hun jacht- en leefgebied verdreven. Zowel de Mennonieten als de Enhlet hadden niet echt voor de Chaco gekozen, maar waren elders verjaagd, aldus Derksen. Beschermd door droogte, moerassen en muggen konden de weinige, vooral nomadische Enhlet tot begin twintigste eeuw redelijk ongestoord leven.

De Enhlet lijken zich niet verzet te hebben tegen de Mennonieten. Eén verklaring zal zijn dat de pacifistische nieuwkomers hen niet gewapenderhand verjoegen. Anders dan de conquistadores die, met de Bijbel in de hand, de Enhlet als minderwaardige diersoort zagen, beschouwden de Mennonieten, met hun Bijbeluitleg, hen eerder als kinderen dan als wilden. En in tegenstelling tot naburige volken als de Guaraní, hadden de Mennonieten geen behoefte aan slaven en wilden ze hun nieuwe buren evenmin als zodanig verkopen. Ze wilden hen wel bekeren, maar dat had zeker in het begin niet veel succes. 

Chaco temmen

Toch zou het leven van de vijf- tot zevenduizend Enhlet na de komst van de Mennonieten niet meer hetzelfde zijn. De nieuwkomers brachten moderne landbouwtechnieken mee en met enorme ijver wisten zij de Chaco te temmen door de grond bouwrijp te maken, te ploegen, te zaaien en te oogsten. Daarmee veranderden ook de levens van de Enhlet. Canadese Mennonieten stichtten in 1927 de kolonie Menno. In 1930 begonnen geloofsgenoten uit de Sovjet-Unie de kolonie Fernheim, waar Abram Löwen opgroeide. Toen in 1947 Neuland gesticht werd, was bijna het hele woongebied van de Enhlet onder de nieuwkomers verdeeld (foto: Fernheim nu).

De Enhlet kregen, volgens Derksen, al gauw door dat het voor hun overleven raadzaam was zich aan te sluiten bij deze ‘goede’ kolonisten. Woonden er rond 1930 misschien een paar honderd Enhlet rond de Europese nederzettingen in de Chaco, zeventig jaar later waren dat er bijna 5.500. Ook leden van andere inheemse volkeren vestigden zich in en rond de strengreligieuze landbouwgemeenschappen.

De Mennonieten zelf deden het ook niet slecht. Volgens de door Derksen geciteerde Nederlandse antropoloog Henryk Hack waren de Mennonieten in Paraguay rond 1990 bijna net zo welvarend als Nederlanders. Hoewel de Enhlet dicht bij de Mennonieten woonden, land mochten bewerken in de nederzettingen, in de sociale voorzieningen van de Mennonieten konden delen en duidelijk rijker werden, nam het welvaartsverschil tussen beide groepen toe. Volgens Derksen hebben de Enhlet hun nomadenachtergrond nog niet achter zich kunnen laten en leven ze nog te zeer van dag tot dag. Ze zijn inmiddels wel volkomen vervreemd geraakt van hun traditionele cultuur. Derksen constateert dat de Enhlet wellicht nog in leven zijn dankzij de bekering tot het geloof van hun nieuwe buren, maar dat zij geen Enhlet meer zijn. En ze zijn evenmin ‘echte’ Mennonieten geworden. 

Boze moeder

Hoewel de Mennonieten bekend staan als conservatief, hebben ook zij zich aan de Chaco moeten aanpassen. Hun eerste jaren in dit gebied waren zwaar en armoedig. Rond 1940 beloofde vooral de veeteelt vooruitgang. Abram Löwen richtte in die tijd, samen met een aantal volwassenen, een veehouderij op. Hoewel hij nog jong was en bij zijn ouders woonde, was hij aantrekkelijk als zakenpartner omdat hij samen met Enhlet-jongeren was opgegroeid en zijn dankzij hen opgedane kennis van het land door zijn partners zeer werd gewaardeerd.

Ook Löwen zag de Enhlet als ondergeschikten waar je op kon rekenen en die je opdrachten kon geven, maar in de moderne wereld altijd begeleiding nodig hadden. Hij realiseerde zich niet dat zijn Enhlet-vrienden hem veel zaken, waaronder het spoorzoeken, hadden bijgebracht. Dat was erg handig om vee op te sporen op weidegrond zonder hekken. Dankzij zijn vriend Sipip-Kintem leerde hij, anders dan veel andere kolonisten, met lokale ogen naar het landschap kijken.

Uit Löwen’s beschrijving van zijn jonge jaren blijkt dat de Enhlet weliswaar respect voor de Mennonieten hadden, maar hen op hun beurt niet echt serieus namen. Over het algemeen noemden ze hen “Yam” (anders). Löwen was zo goed in het spoorzoeken en vogels nadoen, dat de Enhlet hem een ‘echte’ Enhlet-naam gaven. De jonge Abram was niet echt gelukkig met de naam die “Zoon van de boze moeder” betekende. Zijn moeder was namelijk een keer heel boos geworden op inheemse vrouwen die haar hele groentetuin hadden leeggeplukt. Beide groepen raakten steeds meer op elkaar aangewezen en daarover gaat het boekje Frau Braun

De Lange die Overleefde

Voor veehouderij was natuurlijk grond nodig. Löwen hoorde van Sipip-Kintem dat het gebied waar diens moeder woonde, Caraya (voor de Enhlet: Popyit Amyip), vruchtbaar was. Hij en zijn zakenpartners vroegen toestemming het gebied te kopen, niet van Sipip-Kintem’s moeder of andere Enhlet, maar van de gouverneur van het gebied dat sinds de Chaco-oorlog onder militair beheer stond. Toen hij met Sipip-Kintem in 1941 voor het eerst in Caraya aankwam, zag hij de inwoners onmiddellijk als toekomstige werknemers, terwijl hij er nooit eerder geweest was, het land nog niet had gekocht en de lokale bewoners niet waren geïnformeerd. Vijftig jaar later, toen hij zijn herinneringen op schrift stelde, was hij hier erg verbaasd over. Treffend schetste hij zijn toenmalige wereldbeeld: “Ik zag de Enhlet als een mooie, ja een noodzakelijke bijzaak. Als daar geen indianen gewoond zouden hebben, dan had ik ze gezocht om ze over te halen mee te gaan om daar te gaan wonen.” Toch beroept hij zich bij het schrijven van Frau Braun nog op zijn “goede bedoelingen”.

Nadat de Enhlet van Caraya Löwen – die zich al als landeigenaar beschouwde! - een week lang hadden genegeerd, keerde hij terug naar Fernheim. Zijn partners waren blij te horen dat er geen ‘Latino –Paraguayanen’ in Caraya aanwezig waren, want in die tijd werd het land eigendom van degene die er tien jaar woonde. Ze hadden dus een voorsprong op de ‘Latinos’. Indianen konden pas in 1981 landrechten krijgen.

Toen Löwen een week later opnieuw naar Caraya reisde, had hij zijn paardenwagen volgeladen met geschenken voor Sipip-Kintem’s moeder, want hij dacht dat zij het stamhoofd was. Dit keer sprak ze hem aan en erkende daarmee dat hij er was. Löwen was daar dankbaar voor en, wetend dat het geven van een naam voor de Enhlet erg belangrijk was, zei hij grootmoedig: “Jij bent Frau Braun”, een naam hem op dat moment te binnen schoot. Eigenlijk heette ze Malhquitcuc, De Lange, want ze was volgens Löwen zeker 1 meter 80. Nadat zij als enige van haar familie een pokkenepidemie had overleefd had, had ze de naam Malhquitcuc Acvinatem gekregen: De Lange, die Overleefde. Ze accepteerde Löwen’s geschenken. 

Vooruit betalen

De Enhlet lieten zich echter niet zomaar van hun land verjagen. De volgende avond kwam Sipip-Kintem’s vader langs bij Löwen’s geïmproviseerde bivak. Na een lang zwijgen, constateerde hij: “Dit is een mooi kamp. Er zitten veel spitsbokken, daarom heet het Popyit Amyip en het is van mij.” Daarmee waren de onderhandelingen geopend. Gezien de status die westerse stoffen en kleding bij de grotendeels naakte Enhlet hadden, mede doordat het een engelengeduld vereiste om hun traditionele kleding te maken, wilde Herr Braun zwarte en witte stof. Uiteindelijk werden ze het eens over zeven en een halve pas aan stof, in ruil voor het rooien van het land, vooruit te betalen.

In de regentijd leerde de jonge Löwen zijn nieuwe buren/onderdanen de beginselen van de moderne landbouw. Als nomaden probeerden ze soms wel wat landbouw te bedrijven, maar dat was niet meer dan een stuk bos platbranden, gaatjes in de grond maken, kalebaszaadjes erin en afwachten. Löwen’s paardenploeg was voor hen een heuse sensatie en met ware zendelingenijver toonde hij hen trots hoe mooi de aarde gekeerd werd. Uiteindelijk leerde Löwen’s vriend Sipip-Kintem ploegen en kon hij de andere bewoners van Caraya aan het zaaien zetten, ook met onbekende zaden zoals van watermeloenen. 

‘Ziel’

Löwen was echter vergeten hen een belangrijk onderdeel van het hele proces te vertellen. Toen het na wieden en verzorgen op oogsten aankwam, eigenden vooral de vrouwen zich alle vruchten toe! Hij realiseerde zich dat hij, in de maanden voorafgaand aan de eerste oogst van ‘zijn’ boerderij, voortdurend van de Enhlet te eten had gekregen zonder daarvoor iets te doen. Hij kreeg dus ook gewoon zijn deel van de opbrengst van de groentetuin. Frau Braun zorgde voor de verdeling en niemand, ook Alfred Löwen niet nadat hij van zijn eerste verbazing bekomen was, klaagde ooit. “Was hier einer besaβ, besaβen alle”, realiseerde hij zich tevreden.

Toch kenden de Enhlet wel degelijk privé-eigendom, naast algemeen bezit zoals eten. Maar ook hier gingen zij anders mee om dan de Weiβen. Als iemand anders dan de eigenaar ergens een sterke band mee ontwikkelde, ging de ‘ziel’ van het voorwerp over naar de andere persoon die daarmee de nieuwe eigenaar werd. De Enhlet van Caraya raakten steeds meer gesteld op de goederen die Löwen regelmatig uit Fernheim meenam. Als hij een tijd niet naar ‘huis’ was geweest, kwamen steeds meer bezoekers belangstellend vragen hoe het met zijn familie en vrienden zou zijn! 

Prikkeldraad

Langzaam maar zeker, meer uit gemakzucht dan als zendeling, introduceerde Löwen zaken uit de moderne wereld in Caraya, waaronder het schrift en het geld, “waarmee het dorp nu met New York en Hong Kong verbonden was.” Maar met elk cijfer dat ze leerden en elk kledingstuk dat ze kregen, raakten de Enhlet steeds verder van het nomadenleven in de Chaco verwijderd. Elk stapje was echter een bewuste keus van de Enhlet zelf. Het nomadenbestaan was altijd zeer zwaar geweest; onkruid wieden in ruil voor een tas –  of geld om die te kopen – was veel makkelijker dan dieren jagen en huiden tot een tas bewerken. 

En Abram Löwen werd elke dag dat hij in Caraya verbleef, met elk gesprek dat hij met ‘zijn’ indianen voerde, een beetje minder Mennoniet. Toch worden Mennonieten en Enhlet tegenwoordig nog steeds niet helemaal als Paraguayaan gezien. En onderling begrijpen ze elkaar nog steeds niet. Waar de dertigduizend Mennonieten tegenwoordig grotendeels in moderne huizen wonen en het grootste deel van het land van zuivel- en andere agrarische producten voorzien, zwerven vele van de achtduizend Enhlet nog steeds door de Chaco. Alleen staat daar nu overal prikkeldraad. 

 

Deze bijdrage is onderdeel van de 'Paraguay Special', voorjaar 2017.

Bron : www.menonitica.org; www.zeit.de/1993/16/neue-heimat-in-gran-chaco
Bookmark and Share

Bekijk ook


Terug